Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-02
ECLI:NL:HR:2026:558
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,137 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:558 text/xml public 2026-04-03T10:06:10 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-02 24/01396 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:1594 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026040206 V-N Vandaag 2026/644 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:558 text/html public 2026-04-02T10:55:12 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:558 Hoge Raad , 02-04-2026 / 24/01396 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01396 Datum 2 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2024, nrs. BK-ARN 22/1650 en 22/1651 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 19/3932, 19/3933 en 20/1765) betreffende een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2012 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.A. Velema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:1594.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:558 text/xml public 2026-04-03T10:06:10 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-02 24/01396 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:1594 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026040206 V-N Vandaag 2026/644 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:558 text/html public 2026-04-02T10:55:12 2026-04-02 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:558 Hoge Raad , 02-04-2026 / 24/01396 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01396 Datum 2 april 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 5 maart 2024, nrs. BK-ARN 22/1650 en 22/1651 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nrs. LEE 19/3932, 19/3933 en 20/1765) betreffende een ten aanzien van belanghebbende voor het jaar 2012 gegeven beschikking als bedoeld in artikel 3.151, lid 1, Wet IB 2001. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door W.A. Velema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer E.F. Faase als voorzitter, en de raadsheren P.A.G.M. Cools en F.G.F. Peters, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 2 april 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:1594.