Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-07
ECLI:NL:HR:2026:554
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,487 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:554 text/xml public 2026-04-07T12:45:39 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-07 23/04074 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2023:3617 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:102 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:554 text/html public 2026-04-03T14:01:29 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:554 Hoge Raad , 07-04-2026 / 23/04074 Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVWW 1994. 1. Bewijsklacht “bevel”. Is sprake van “bevel” tot medewerking aan bloedonderzoek a.b.i. art. 163.5 WVW 1995, nu p-v van bevindingen m.b.t. rijden onder invloed inhoudt dat hulp OvJ medewerking daaraan heeft “gevorderd”? 2. Afwijzing van ttz. in hoger beroep voorwaardelijk gedaan verzoek tot horen van hulp OvJ als getuige, o.g.v. noodzaakcriterium, nu hof door hulp OvJ opgemaakt aanvullend p-v niet voor bewijs gebruikt. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04074 Datum 7 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 oktober 2023, nummer 23-002783-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Nu het hof alleen de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden (vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7086). 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:554 text/xml public 2026-04-07T12:45:39 2026-04-01 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-07 23/04074 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2023:3617 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:102 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:554 text/html public 2026-04-03T14:01:29 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:554 Hoge Raad , 07-04-2026 / 23/04074 Weigering bloedonderzoek, art. 163.6 WVWW 1994. 1. Bewijsklacht “bevel”. Is sprake van “bevel” tot medewerking aan bloedonderzoek a.b.i. art. 163.5 WVW 1995, nu p-v van bevindingen m.b.t. rijden onder invloed inhoudt dat hulp OvJ medewerking daaraan heeft “gevorderd”? 2. Afwijzing van ttz. in hoger beroep voorwaardelijk gedaan verzoek tot horen van hulp OvJ als getuige, o.g.v. noodzaakcriterium, nu hof door hulp OvJ opgemaakt aanvullend p-v niet voor bewijs gebruikt. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04074 Datum 7 april 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 4 oktober 2023, nummer 23-002783-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat B. Kizilocak bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Nu het hof alleen de bijkomende straf van ontzegging van de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen heeft opgelegd, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden (vgl. HR 16 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN7086). 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 april 2026 .