Rechtspraak
Hoge Raad
2026-04-07
ECLI:NL:HR:2026:550
Strafrecht
Cassatie
4,072 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:550 text/xml public 2026-04-07T12:45:49 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-07 24/04461 Uitspraak Cassatie Beschikking NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:114 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:550 text/html public 2026-04-03T14:26:29 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:550 Hoge Raad , 07-04-2026 / 24/04461 Beklag, beslag ex art. 94 Sv op motorfiets onder klager i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen onbekende bestuurder van motorfiets t.z.v. verdenking van verkeersovertreding. Kon Rb oordelen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat motorfiets zal worden verbeurdverklaard o.g.v. art. 33a.2 Sr of art. 33a.1 Sr? Rb heeft vastgesteld dat onder klager o.g.v. art. 94 Sv beslag is gelegd op motorfiets. Bij beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag dat is gelegd o.g.v. art. 94 Sv, moet rechter a. beoordelen of belang van strafvordering het voortduren van beslag vordert en, zo nee, b. teruggave van inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan beslagene, tenzij ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd. Belang van strafvordering vordert o.m. voortduren van beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van voorwerp zal bevelen. Aan het hanteren van criterium of het hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter tot verbeurdverklaring overgaat, ligt ten grondslag dat onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op moment dat onderzoek nog loopt, dus voordat strafzaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft onderzoek in raadkamer summier karakter, waarbij beoordeling van beklag plaatsvindt o.g.v. informatie die op dat moment voorhanden is over strafzaak. Rechter die oordeelt over beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in strafzaak (vgl. HR:2023:128). Rb heeft vastgesteld dat motorfiets is inbeslaggenomen i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek naar onbekende bestuurder van die motorfiets t.z.v. verdenking van o.m. het met hoge snelheid op fietspad rijden met die motorfiets. Daarnaast ligt in overwegingen van Rb als haar oordeel besloten dat klager, onder wie motorfiets diezelfde nacht nog werd aangetroffen, door geen medewerking te verlenen aan politie vooralsnog kennelijk heeft willen voorkomen dat nader onderzoek zou worden gedaan t.a.v. vraag of klager bekend was met gebruik van motorfiets voor strafbaar feit, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden, terwijl niet is uitgesloten dat deze bekendheid of dat vermoeden uit nader onderzoek zal volgen. Mede op deze (niet onbegrijpelijke) vaststellingen en overwegingen gebaseerd oordeel van Rb dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van motorfiets o.g.v. art. 33a.2 Sr zal bevelen is, mede in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat bespreking van klacht over kennelijk oordeel van Rb dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de motorfiets zal verbeurdverklaren o.g.v. art. 33a.1 Sr, omdat “mogelijk” is dat motorfiets toebehoorde aan bestuurder, niet nodig is. Volgt verwerping. CAG: anders. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/04461 B Datum 7 april 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2024, nummer RK 24/022241, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de klager. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan. 2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de inbeslaggenomen motorfiets zal worden verbeurdverklaard. 2.2 De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave van de onder hem inbeslaggenomen motorfiets ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen: “Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken: 1. onder klager is op 23 augustus 2024 op de voet van artikel 94 Sv in beslag genomen: een motor, BMW F 900 Xr met [kenteken] ; 2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen; 3. klager heeft gesteld rechthebbende te zijn van hetgeen in beslag is genomen; 4. het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de bestuurder van de motor op 23 augustus 2024 als verdachte. (...) De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). (...) Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. Gelet op de aard van de overtredingen (met name het met hoge snelheid op een fietspad rijden), is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een verbeurdverklaring van de motor zal volgen, al dan niet met een compensatie op grond van artikel 33c Sr. Op grond van het feit dat klager geen medewerking wilde verlenen aan de politie kan de later oordelende rechter mogelijk concluderen dat klager wilde verhullen dat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de motor zou worden gebruikt voor strafbare feiten. Ten slotte is mogelijk dat de motor, ondanks de registratie op klagers naam, toebehoorde aan de bestuurder. De raadkamer is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Naar het oordeel van de raadkamer is hetgeen namens klager is aangevoerd onvoldoende om aan te nemen dat voortduring van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangen van klager wegen op dit moment niet op tegen het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.” 2.3 Artikel 33a lid 1, aanhef en onder b, en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt: “1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: (...) b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. (...) 2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien: a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of b.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:550 text/xml public 2026-04-07T12:45:49 2026-03-27 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-04-07 24/04461 Uitspraak Cassatie Beschikking NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:114 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:550 text/html public 2026-04-03T14:26:29 2026-04-07 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:550 Hoge Raad , 07-04-2026 / 24/04461 Beklag, beslag ex art. 94 Sv op motorfiets onder klager i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek tegen onbekende bestuurder van motorfiets t.z.v. verdenking van verkeersovertreding. Kon Rb oordelen dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat motorfiets zal worden verbeurdverklaard o.g.v. art. 33a.2 Sr of art. 33a.1 Sr? Rb heeft vastgesteld dat onder klager o.g.v. art. 94 Sv beslag is gelegd op motorfiets. Bij beoordeling van klaagschrift van beslagene dat is gericht tegen beslag dat is gelegd o.g.v. art. 94 Sv, moet rechter a. beoordelen of belang van strafvordering het voortduren van beslag vordert en, zo nee, b. teruggave van inbeslaggenomen voorwerp gelasten aan beslagene, tenzij ander redelijkerwijs als rechthebbende t.a.v. dat voorwerp moet worden beschouwd. Belang van strafvordering vordert o.m. voortduren van beslag als niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van voorwerp zal bevelen. Aan het hanteren van criterium of het hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter tot verbeurdverklaring overgaat, ligt ten grondslag dat onderzoek in raadkamer doorgaans plaatsvindt op moment dat onderzoek nog loopt, dus voordat strafzaak inhoudelijk wordt behandeld. Daarbij heeft onderzoek in raadkamer summier karakter, waarbij beoordeling van beklag plaatsvindt o.g.v. informatie die op dat moment voorhanden is over strafzaak. Rechter die oordeelt over beklag, kan slechts in zeer beperkte mate vooruitlopen op beslissingen die zullen worden genomen in strafzaak (vgl. HR:2023:128). Rb heeft vastgesteld dat motorfiets is inbeslaggenomen i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek naar onbekende bestuurder van die motorfiets t.z.v. verdenking van o.m. het met hoge snelheid op fietspad rijden met die motorfiets. Daarnaast ligt in overwegingen van Rb als haar oordeel besloten dat klager, onder wie motorfiets diezelfde nacht nog werd aangetroffen, door geen medewerking te verlenen aan politie vooralsnog kennelijk heeft willen voorkomen dat nader onderzoek zou worden gedaan t.a.v. vraag of klager bekend was met gebruik van motorfiets voor strafbaar feit, dan wel dat gebruik redelijkerwijs had kunnen vermoeden, terwijl niet is uitgesloten dat deze bekendheid of dat vermoeden uit nader onderzoek zal volgen. Mede op deze (niet onbegrijpelijke) vaststellingen en overwegingen gebaseerd oordeel van Rb dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de verbeurdverklaring van motorfiets o.g.v. art. 33a.2 Sr zal bevelen is, mede in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld, toereikend gemotiveerd. Dat brengt mee dat bespreking van klacht over kennelijk oordeel van Rb dat niet hoogst onwaarschijnlijk is dat later oordelende strafrechter de motorfiets zal verbeurdverklaren o.g.v. art. 33a.1 Sr, omdat “mogelijk” is dat motorfiets toebehoorde aan bestuurder, niet nodig is. Volgt verwerping. CAG: anders. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/04461 B Datum 7 april 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Midden-Nederland van 26 november 2024, nummer RK 24/022241, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de klager. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze heeft de advocaat L.E.G. van der Hut bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank, en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Midden-Nederland, teneinde op het bestaande beklag opnieuw te worden beoordeeld en afgedaan. 2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van de rechtbank dat het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de inbeslaggenomen motorfiets zal worden verbeurdverklaard. 2.2 De rechtbank heeft het klaagschrift van de klager dat strekt tot teruggave van de onder hem inbeslaggenomen motorfiets ongegrond verklaard en daartoe onder meer overwogen: “Uit de stukken en het verhandelde in raadkamer is het volgende gebleken: 1. onder klager is op 23 augustus 2024 op de voet van artikel 94 Sv in beslag genomen: een motor, BMW F 900 Xr met [kenteken] ; 2. klager heeft geen afstand gedaan van hetgeen in beslag is genomen; 3. klager heeft gesteld rechthebbende te zijn van hetgeen in beslag is genomen; 4. het beslag is gelegd in het kader van een strafrechtelijk onderzoek tegen de bestuurder van de motor op 23 augustus 2024 als verdachte. (...) De raadkamer stelt voorop dat het onderzoek in raadkamer naar aanleiding van een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a Sv een summier karakter draagt. Dat betekent dat van de raadkamer niet kan worden gevergd ten gronde in de mogelijke uitkomst van een nog te voeren hoofd- of ontnemingszaak te treden. Daarvoor is in de beklagprocedure geen plaats, omdat het dossier zoals dat uiteindelijk aan de zittingsrechter in de hoofd- of ontnemingszaak zal worden voorgelegd, doorgaans nog niet compleet is. Daarnaast moet worden voorkomen dat de beklagrechter vooruitloopt op het in de hoofd- of ontnemingszaak te geven oordeel. Het beperkte karakter van de beklagprocedure komt tot uitdrukking in enkele van de aan te leggen toetsingsmaatstaven (Hoge Raad 28 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL2823, NJ 2010/654). (...) Maatstaf bij de beoordeling van het onderhavige klaagschrift is of het belang van strafvordering zich verzet tegen teruggave van in beslag genomen voorwerp. Nu beslag is gelegd op de voet van artikel 94 Sv is daarbij in dit geval van belang of het voortduren van het beslag nodig is voor het aan de dag brengen van de waarheid in een strafzaak, het voortduren van het beslag nodig is voor het aantonen van het wederrechtelijk verkregen voordeel en/of het niet hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het voorwerp zal verbeurd verklaren of onttrekken aan het verkeer. Gelet op de aard van de overtredingen (met name het met hoge snelheid op een fietspad rijden), is het niet hoogst onwaarschijnlijk dat een verbeurdverklaring van de motor zal volgen, al dan niet met een compensatie op grond van artikel 33c Sr. Op grond van het feit dat klager geen medewerking wilde verlenen aan de politie kan de later oordelende rechter mogelijk concluderen dat klager wilde verhullen dat hij de aanmerkelijke kans aanvaardde dat de motor zou worden gebruikt voor strafbare feiten. Ten slotte is mogelijk dat de motor, ondanks de registratie op klagers naam, toebehoorde aan de bestuurder. De raadkamer is dan ook van oordeel dat het strafvorderlijk belang zich verzet tegen opheffing van het beslag. Naar het oordeel van de raadkamer is hetgeen namens klager is aangevoerd onvoldoende om aan te nemen dat voortduring van het beslag niet in overeenstemming is met de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit. De belangen van klager wegen op dit moment niet op tegen het strafvorderlijk belang bij voortduring van het beslag. Het beklag zal daarom ongegrond worden verklaard.” 2.3 Artikel 33a lid 1, aanhef en onder b, en lid 2 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt: “1. Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn: (...) b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan. (...) 2. Voorwerpen als bedoeld in het eerste lid onder a tot en met e die niet aan de veroordeelde toebehoren kunnen alleen verbeurd worden verklaard indien: a. degene aan wie zij toebehoren bekend was met hun verkrijging door middel van het strafbare feit of met het gebruik of de bestemming in verband daarmede, dan wel die verkrijging, dat gebruik of die bestemming redelijkerwijs had kunnen vermoeden, of b.