Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:HR:2026:489
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
654 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:489 text/xml public 2026-03-25T09:27:52 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-24 24/01023 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:637 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:489 text/html public 2026-03-25T09:27:26 2026-03-25 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:489 Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/01023 Medeplegen verkopen en afleveren van cocaïne en heroïne (art. 2.B Opiumwet) en deelneming aan criminele organisatie (art. 11b.1 Opiumwet). Bewijsklacht pleegperiode. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01025 en 24/01050. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01023 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 14 maart 2024, nummer 23-001112-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1998, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de beperkte mate van overschrijding van de redelijke termijn volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 .