Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:HR:2026:485
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
905 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:485 text/xml public 2026-03-25T00:01:25 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-24 24/02949 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:196 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:485 text/html public 2026-03-24T15:08:08 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:485 Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/02949 Medeplegen invoer van 401 kilo cocaïne vanuit China naar Rotterdam (art. 2.A Opiumwet), aanwezig hebben van 3 kilo cocaïne (art. 2.C Opiumwet) en voorbereidingshandelingen m.b.t. bewerken van cocaïne (art. 10a.1.3 jo. 10.4 en 10.5 Opiumwet). 1. Bewijsklacht opzet op medeplegen invoer van cocaïne. Had verdachte wetenschap van cocaïne in vrachtwagencontainer? 2. Bewijsklacht opzet op voorhanden hebben van cocaïne en procaïne en plegen van voorbereidingshandelingen. Had verdachte wetenschap van aanwezigheid van 3 kilogram cocaïne en 54 kilogram procaïne in kruipruimte van de door hem gehuurde woning? HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02949 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 19 juli 2024, nummer 22-003685-23, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M. van Stratum bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het tweede en het derde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad in deze zaak waarin de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 54 maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze 52 maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P.J. Lugtenburg, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 .