Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:HR:2026:484
Strafrecht
Cassatie
1,564 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:484 text/xml public 2026-03-25T00:01:23 2026-03-23 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-24 24/01563 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:71 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:484 text/html public 2026-03-24T14:43:14 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:484 Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/01563 Mishandeling, meermalen gepleegd (art. 300.1 Sr), wederspannigheid (art. 180 Sr) en huisvredebreuk (art. 138.1 Sr). 1. Ontvankelijkheid cassatieberoep, art. 432.1.c Sv. Kan uit mededeling van niet gemachtigde raadsvrouw worden afgeleid dat verdachte met dag van tz. in hoger beroep tevoren bekend was? 2. Ontbrekende bewijsmiddelen, art. 359.3 en 359.8 Sv. Ad 1. In art. 432.1.c Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen na einduitspraak als zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat dag van (nadere) tz. de verdachte tevoren bekend was. In art. 432.2 Sv is bepaald dat cassatieberoep moet worden ingesteld binnen 14 dagen nadat zich omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat uitspraak de verdachte bekend is. Uit f&o zoals weergegeven in CAG kan niet z.m. worden afgeleid dat verdachte met dag van tz. in h.b. tevoren bekend was. Enkele mededeling van niet-gemachtigde raadsvrouw ttz. in h.b. dat zij met vriendin van verdachte contact heeft gehad over zittingsdatum en op grond daarvan ervan is uitgegaan dat verdachte op de hoogte is gesteld van zittingsdatum, is daarvoor niet toereikend. Cassatieberoep is ingesteld op 19-4-2024. Omdat ook niet blijkt dat zich andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat verdachte meer dan 14 dagen voor die datum bekend was met einduitspraak van 1-3-2024 zal HR het cassatieberoep in behandeling nemen. Ad. 2. Bij stukken bevindt zich uitspraak van hof die niet b.m. bevat. Verder bevindt zich bij stukken niet aanvulling a.b.i. art. 365a.2 Sv met daarin b.m. die zijn gebruikt. Raadsman heeft o.g.v. art. 4.3.6.3 Procesreglement HR verzocht om toezending van die aanvulling. Hof heeft aan HR bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. O.g.v. art. 359.3 en 358.8 Sv moet uitspraak op straffe van nietigheid b.m. bevatten die f&o inhouden die redengevend zijn voor bewezenverklaring dan wel (v.zv. art. 359.3 Sv dat toestaat) opgave van b.m. ’s Hofs uitspraak voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. Volgt vernietiging en terugwijzing. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01563 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 1 maart 2024, nummer 21-003726-21, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1997, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.I. Takens en T.P.A.M. Wouters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak op het bestaande hoger beroep opnieuw wordt berecht en afgedaan. 2 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep 2.1 In artikel 432 lid 1, aanhef en onder c, van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen na de einduitspraak als zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de dag van de terechtzitting of van de nadere terechtzitting de verdachte tevoren bekend was. In artikel 432 lid 2 Sv is bepaald dat het cassatieberoep moet worden ingesteld binnen veertien dagen nadat zich een omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de uitspraak de verdachte bekend is. 2.2 Uit de feiten en omstandigheden zoals die zijn weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.1 en 2.2, kan niet zonder meer worden afgeleid dat de verdachte met de dag van de terechtzitting van het hof van 16 februari 2024 tevoren bekend was. De enkele mededeling van de niet-gemachtigde raadsvrouw op de terechtzitting van het hof dat zij met de vriendin van de verdachte contact heeft gehad over de zittingsdatum en op grond daarvan ervan is uitgegaan dat de verdachte op de hoogte is gesteld van de zittingsdatum, is daarvoor niet toereikend. Het cassatieberoep is ingesteld op 19 april 2024. Omdat ook niet blijkt dat zich een andere omstandigheid heeft voorgedaan waaruit voortvloeit dat de verdachte meer dan veertien dagen voor die datum bekend was met de einduitspraak van 1 maart 2024 zal de Hoge Raad het cassatieberoep in behandeling nemen. 3 Beoordeling van het cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof zijn verkorte uitspraak niet heeft aangevuld met de bewijsmiddelen die het hof heeft gebruikt. 3.2 Bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden, bevindt zich een uitspraak van het hof die niet de bewijsmiddelen bevat. Verder bevindt zich bij die stukken niet een aanvulling als bedoeld in artikel 365a lid 2 Sv met daarin de bewijsmiddelen die zijn gebruikt. 3.3 De raadsman van de verdachte heeft op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden verzocht om toezending van die aanvulling. Daarnaar gevraagd, heeft het hof aan de Hoge Raad bericht dat zo’n aanvulling niet is opgemaakt. 3.4 Op grond van artikel 359 lid 3 en 8 Sv moet een uitspraak op straffe van nietigheid de bewijsmiddelen bevatten die de feiten en omstandigheden inhouden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, dan wel – voor zover artikel 359 lid 3 Sv dat toestaat – een opgave van bewijsmiddelen. De uitspraak van het hof voldoet niet aan dit vereiste en kan daarom niet in stand blijven. 3.5 Het cassatiemiddel is terecht voorgesteld. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof; - wijst de zaak terug naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, opdat de zaak opnieuw wordt berecht en afgedaan. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 .