Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-20
ECLI:NL:HR:2026:473
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
497 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:473 text/xml public 2026-03-20T11:08:19 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-20 25/02774 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:473 text/html public 2026-03-20T11:06:42 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:473 Hoge Raad , 20-03-2026 / 25/02774 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02774 Datum 20 maart 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE DELFT op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 9 juli 2025, nr. SGR 24/7910 V, op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 14 maart 2025 betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van de Rechtbank op het verzet beroep in cassatie ingesteld. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026.