Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-20
ECLI:NL:HR:2026:468
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
523 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:468 text/xml public 2026-03-20T16:05:34 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-20 25/03861 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2025:1935 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032006 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:468 text/html public 2026-03-20T10:26:02 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:468 Hoge Raad , 20-03-2026 / 25/03861 HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/03861 Datum 20 maart 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, vertegenwoordigd door [P], op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 23 september 2025, nr. BK-25/1 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 24/4057) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2021 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026. ECLI:NL:GHDHA:2025:1935.