Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-20
ECLI:NL:HR:2026:466
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
579 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:466 text/xml public 2026-03-23T11:25:34 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-20 25/02693 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2025:1727 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032011 FutD 2026-0481 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:466 text/html public 2026-03-20T10:01:40 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:466 Hoge Raad , 20-03-2026 / 25/02693 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02693 Datum 20 maart 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 18 juni 2025, nr. 23/1115 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 22/1421) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2016 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door V.J. de Groot, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026. ECLI:NL:GHSHE:2025:1727.