Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-20
ECLI:NL:HR:2026:464
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
570 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:464 text/xml public 2026-03-20T11:05:29 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-20 24/01780 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:932 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:464 text/html public 2026-03-20T09:40:16 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:464 Hoge Raad , 20-03-2026 / 24/01780 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01780 Datum 20 maart 2026 ARREST in de zaak van STICHTING [X] (hierna: belanghebbende) tegen het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN WATERSCHAPPEN LIMBURG op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 maart 2024, nr. 22/00974 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Limburg (nr. ROE 21/856) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken voor het jaar 2019. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gemeenten en Waterschappen Limburg, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:932.