Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-20
ECLI:NL:HR:2026:463
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
610 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:463 text/xml public 2026-03-20T16:06:03 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-20 24/01723 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:930 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026032012 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:463 text/html public 2026-03-20T09:33:36 2026-03-20 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:463 Hoge Raad , 20-03-2026 / 24/01723 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01723 Datum 20 maart 2026 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 20 maart 2024, nrs. 22/00906 en 22/00907 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nrs. BRE 18/5085 en 18/5086) betreffende aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslagen in de loonheffingen over het tijdvak 1 januari 2014 tot en met 31 december 2016 en over het tijdvak 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017, en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door A.J.C. Perdaems, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:930.