Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:HR:2026:455
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
500 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:455 text/xml public 2026-03-25T00:01:22 2026-03-19 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-24 24/01197 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:201 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:455 text/html public 2026-03-24T14:39:33 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:455 Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/01197 Mishandeling met zwaar lichamelijk letsel tot gevolg, art. 300.2 Sr. Vordering benadeelde partij t.z.v. immateriële schade. Kon hof psychische schade in aanmerking nemen bij toewijzing vordering b.p.? HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01197 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 22 maart 2024, nummer 21-000866-20, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat T. Straten bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 .