Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:HR:2026:448
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
3,968 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:448 text/xml public 2026-04-17T10:03:52 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 25/04087 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:145 Rechtspraak.nl RvdW 2026/480 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:448 text/html public 2026-03-17T12:12:21 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:448 Hoge Raad , 17-03-2026 / 25/04087 OM-cassatie en cassatie opgeëiste persoon. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Amerikaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplichtigheid door aansporing van moord op haar ex-partner, medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en samenzwering om moord te plegen. Rb heeft uitlevering ontoelaatbaar verklaard t.z.v. medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en uitlevering voor het overige toelaatbaar verklaard. 1. OM-cassatie. Accessoire uitlevering, art. 2.5 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Kan uitlevering worden toegestaan voor feit dat niet voldoet aan eisen van art. art. 2.2.a Verdrag en art. 5.1.a Uitleveringswet? 2. Cassatie opgeëiste persoon. Mogelijkheid dat in strafzaak tegen opgeëiste persoon de doodstraf zal worden opgelegd (art. 8 Uitleveringswet) en onzekerheid over strafbare feiten die aan opgeëiste persoon zullen worden ten laste gelegd (art. 18.3 uitleveringswet). Ad 1. Rb heeft overwogen dat feit zoals vermeld in aanhoudingsbevel met nummer 1 (“accessory after the fact of murder”) naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in art. 189 Sr en wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden. Op grond hiervan heeft Rb geoordeeld dat t.a.v. dit feit niet is voldaan aan eisen die worden gesteld door art. 2.2.a Verdrag en art. 5.1.a Uitleveringswet en heeft Rb uitlevering in zoverre ontoelaatbaar verklaard. Omdat Rb de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor feiten die worden vermeld in aanhoudingsbevelen met nummer 2 (“accessory before the fact of murder”) en 3 (“conspiracy to commit murder”), heeft Rb met dat oordeel miskend dat uitlevering voor dit feit (“accessory after the fact of murder”) kan worden toegestaan o.g.v. art. 2.5 Verdrag. Gelet op art. 94 Grondwet vinden binnen Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Dit betekent in dit geval dat art. 5 Uitleveringswet buiten toepassing blijft v.zv. uitlevering kan worden toegestaan o.g.v. art. 2.5 Verdrag (vgl. HR:2001:AD4292). HR doet wat Rb had moeten doen en verklaart uitlevering ook toelaatbaar voor feit zoals vermeld in aanhoudingsbevel met nummer 1. Ad 2. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/04087 U Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 oktober 2025, nummer UTL-I-2025013828, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de opgeëiste persoon. 1 Procesverloop in cassatie De beroepen zijn ingesteld door de opgeëiste persoon en het openbaar ministerie. Namens de opgeëiste persoon heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar is voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] , tot toelaatbaarverklaring daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld 3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. 3.2 De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in: “3.2 Toepasselijke wetten en verdragen Op het uitleveringsverzoek is naast de UW, het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) van toepassing. (...) 3.5 Dubbele strafbaarheid Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Verdrag en artikel 5, eerste lid, UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien het feit krachtens het recht van zowel de verzoekende staat als Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan één jaar. De opgeëiste persoon wordt in de Verenigde Staten van Amerika verdacht van ‘accessory before the fact of murder’, ‘accessory after the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’. Naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika is op deze feiten een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar gesteld. De feiten ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’ zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 47, 48 en 49 jo. artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten enige vorm van deelneming aan moord, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Gelet hierop is ten aanzien van deze feiten voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW. Het feit ‘accessory after the fact of murder’ is naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 189 Sr, te weten hulp aan een dader na een misdrijf, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes maanden. Gelet hierop is ten aanzien van dit feit niet voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW. De uitlevering dient ten aanzien van dit feit ontoelaatbaar te worden verklaard. (...) 5. Beslissing De rechtbank: verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika van [opgeëiste persoon] (...) ter strafvervolging van de feiten zoals vermeld in de door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevelen met nummers […] en […] . verklaart de uitlevering ontoelaatbaar voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] .” 3.3 De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang. - Artikel 5 lid 1, aanhef en onder a, van de Uitleveringswet: “Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van: a. een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd.” - Artikel 2 lid 2, aanhef en onder a, en 5 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: Verdrag): “2. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden: a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar; 5.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:448 text/xml public 2026-04-17T10:03:52 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 25/04087 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:145 Rechtspraak.nl RvdW 2026/480 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:448 text/html public 2026-03-17T12:12:21 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:448 Hoge Raad , 17-03-2026 / 25/04087 OM-cassatie en cassatie opgeëiste persoon. Vervolgingsuitlevering opgeëiste persoon (Amerikaanse nationaliteit) naar Verenigde Staten t.z.v. verdenking van medeplichtigheid door aansporing van moord op haar ex-partner, medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en samenzwering om moord te plegen. Rb heeft uitlevering ontoelaatbaar verklaard t.z.v. medeplichtigheid door steun achteraf aan moord en uitlevering voor het overige toelaatbaar verklaard. 1. OM-cassatie. Accessoire uitlevering, art. 2.5 Uitleveringsverdrag Nederland-Verenigde Staten. Kan uitlevering worden toegestaan voor feit dat niet voldoet aan eisen van art. art. 2.2.a Verdrag en art. 5.1.a Uitleveringswet? 2. Cassatie opgeëiste persoon. Mogelijkheid dat in strafzaak tegen opgeëiste persoon de doodstraf zal worden opgelegd (art. 8 Uitleveringswet) en onzekerheid over strafbare feiten die aan opgeëiste persoon zullen worden ten laste gelegd (art. 18.3 uitleveringswet). Ad 1. Rb heeft overwogen dat feit zoals vermeld in aanhoudingsbevel met nummer 1 (“accessory after the fact of murder”) naar Nederlands recht strafbaar is gesteld in art. 189 Sr en wordt bedreigd met gevangenisstraf van ten hoogste 6 maanden. Op grond hiervan heeft Rb geoordeeld dat t.a.v. dit feit niet is voldaan aan eisen die worden gesteld door art. 2.2.a Verdrag en art. 5.1.a Uitleveringswet en heeft Rb uitlevering in zoverre ontoelaatbaar verklaard. Omdat Rb de uitlevering toelaatbaar heeft verklaard voor feiten die worden vermeld in aanhoudingsbevelen met nummer 2 (“accessory before the fact of murder”) en 3 (“conspiracy to commit murder”), heeft Rb met dat oordeel miskend dat uitlevering voor dit feit (“accessory after the fact of murder”) kan worden toegestaan o.g.v. art. 2.5 Verdrag. Gelet op art. 94 Grondwet vinden binnen Koninkrijk geldende wettelijke voorschriften geen toepassing als deze niet verenigbaar zijn met een ieder verbindende bepalingen van verdragen. Dit betekent in dit geval dat art. 5 Uitleveringswet buiten toepassing blijft v.zv. uitlevering kan worden toegestaan o.g.v. art. 2.5 Verdrag (vgl. HR:2001:AD4292). HR doet wat Rb had moeten doen en verklaart uitlevering ook toelaatbaar voor feit zoals vermeld in aanhoudingsbevel met nummer 1. Ad 2. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/04087 U Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 30 oktober 2025, nummer UTL-I-2025013828, op een verzoek van de Verenigde Staten van Amerika tot uitlevering van [opgeëiste persoon] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de opgeëiste persoon. 1 Procesverloop in cassatie De beroepen zijn ingesteld door de opgeëiste persoon en het openbaar ministerie. Namens de opgeëiste persoon heeft de advocaat J.W. Ebbink bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. Ook het openbaar ministerie heeft bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor wat betreft de beslissing van de rechtbank dat de uitlevering ontoelaatbaar is voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] , tot toelaatbaarverklaring daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2. Beoordeling van de cassatiemiddelen die namens de opgeëiste persoon zijn voorgesteld De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3. Beoordeling van het cassatiemiddel dat namens het openbaar ministerie is voorgesteld 3.1 Het cassatiemiddel klaagt over de gedeeltelijke ontoelaatbaarverklaring van de verzochte uitlevering. 3.2 De uitspraak van de rechtbank houdt onder meer in: “3.2 Toepasselijke wetten en verdragen Op het uitleveringsverzoek is naast de UW, het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: het Verdrag) van toepassing. (...) 3.5 Dubbele strafbaarheid Ingevolge artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a, van het Verdrag en artikel 5, eerste lid, UW kan uitlevering alleen worden toegestaan indien het feit krachtens het recht van zowel de verzoekende staat als Nederland strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan één jaar. De opgeëiste persoon wordt in de Verenigde Staten van Amerika verdacht van ‘accessory before the fact of murder’, ‘accessory after the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’. Naar het recht van de Verenigde Staten van Amerika is op deze feiten een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar gesteld. De feiten ‘accessory before the fact of murder’ en ‘conspiracy to commit murder’ zijn naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 47, 48 en 49 jo. artikel 289 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr), te weten enige vorm van deelneming aan moord, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van meer dan een jaar. Gelet hierop is ten aanzien van deze feiten voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW. Het feit ‘accessory after the fact of murder’ is naar Nederlands recht strafbaar gesteld onder artikel 189 Sr, te weten hulp aan een dader na een misdrijf, welk feit wordt bedreigd met een vrijheidsbenemende straf van ten hoogste zes maanden. Gelet hierop is ten aanzien van dit feit niet voldaan aan de vereisten van artikel 2, tweede lid, aanhef en onder a van het Verdrag en artikel 5 van de UW. De uitlevering dient ten aanzien van dit feit ontoelaatbaar te worden verklaard. (...) 5. Beslissing De rechtbank: verklaart toelaatbaar de uitlevering aan de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika van [opgeëiste persoon] (...) ter strafvervolging van de feiten zoals vermeld in de door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevelen met nummers […] en […] . verklaart de uitlevering ontoelaatbaar voor zover betrekking hebbende op het door de autoriteiten van de Verenigde Staten van Amerika bij de stukken overgelegde aanhoudingsbevel met nummer […] .” 3.3 De volgende wettelijke en verdragsrechtelijke bepalingen zijn van belang. - Artikel 5 lid 1, aanhef en onder a, van de Uitleveringswet: “Uitlevering kan alleen worden toegestaan ten behoeve van: a. een door autoriteiten van de verzoekende staat ingesteld strafrechtelijk onderzoek ter zake van het vermoeden dat de opgeëiste persoon zich schuldig heeft gemaakt aan een feit waarvoor, zowel naar het recht van de verzoekende staat als naar dat van Nederland, een vrijheidsstraf van een jaar, of van langere duur, kan worden opgelegd.” - Artikel 2 lid 2, aanhef en onder a, en 5 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (hierna: Verdrag): “2. Uitlevering wordt toegestaan voor feiten die tot uitlevering kunnen leiden: a. met het oog op vervolging, indien het feit krachtens het recht van beide Verdragsluitende Partijen strafbaar is gesteld met een vrijheidsstraf van meer dan een jaar; 5.