Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:HR:2026:434
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,553 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:434 text/xml public 2026-04-17T10:03:26 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 24/01735 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:18 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:683 Rechtspraak.nl RvdW 2026/468 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:434 text/html public 2026-03-16T15:01:35 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:434 Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/01735 Onderzoek Vico, woningoverval waarbij dagopbrengst van jaarlijks muziekfestival in Grijpskerke wordt buitgemaakt. Medeplegen diefstal met geweld d.m.v. braak gedurende voor nachtrust bestemde tijd in woning, art. 312.2 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat bestedingspatroon van verdachte kort na tlgd. incident voor verdachte niet als belastend kan worden uitgelegd, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01694, 24/01696, 24/01697 en 24/01829. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01735 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2024, nummer 22-000148-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en negen maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:434 text/xml public 2026-04-17T10:03:26 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 24/01735 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:18 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:683 Rechtspraak.nl RvdW 2026/468 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:434 text/html public 2026-03-16T15:01:35 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:434 Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/01735 Onderzoek Vico, woningoverval waarbij dagopbrengst van jaarlijks muziekfestival in Grijpskerke wordt buitgemaakt. Medeplegen diefstal met geweld d.m.v. braak gedurende voor nachtrust bestemde tijd in woning, art. 312.2 Sr. Uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat bestedingspatroon van verdachte kort na tlgd. incident voor verdachte niet als belastend kan worden uitgelegd, art. 359.2 Sv. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/01694, 24/01696, 24/01697 en 24/01829. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01735 Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 26 april 2024, nummer 22-000148-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1987, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D. Bektesevic bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van drie jaren en negen maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze drie jaren en zeven maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren M. Kuijer en T.B. Trotman, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .