Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:HR:2026:423
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
954 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:423 text/xml public 2026-03-25T00:01:14 2026-03-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-24 23/00758 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2023:1969 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:68 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:423 text/html public 2026-03-24T13:52:31 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:423 Hoge Raad , 24-03-2026 / 23/00758 Opzettelijk niet doen van aangiften vennootschapsbelasting (art. 69.1 AWR) en opzettelijk niet voeren van een bij belastingwet verplichte administratie (art. 69.1 AWR). 1. Afwijzing van voorafgaand aan tz. in hoger beroep gedaan, ttz. in h.b. gehandhaafd en op latere tz. In h.b. herhaald verzoek tot horen van belastingambtenaar als getuige, op de grond dat noodzaak daartoe niet is gebleken. 2. Verweer dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging voor niet voeren van deugdelijke administratie, omdat belastinginspecteur voorafgaand aan die vervolging niet informatiebeschikking o.g.v. art. 52a AWR heeft genomen. 3. Bewijsklachten niet doen van aangiften vennootschapsbelasting. 4. Bewijsklacht opzet. 5. Strafmotivering (geldboete van € 48.500). Kon hof geldboete van deze hoogte opleggen en heeft hof daarbij rekening gehouden met draagkracht van verdachte? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/00760 en 23/00761. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/00758 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 24 februari 2023, nummer 21-006428-19, in de strafzaak tegen [verdachte] B.V., gevestigd in [vestigingsplaats], hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J. Kuijper bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste tot en met het vijfde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het zesde cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde geldboete van € 48.500. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde geldboete; - vermindert de geldboete in die zin dat deze € 46.000 bedraagt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 .