Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-17
ECLI:NL:HR:2026:385
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,831 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:385 text/xml public 2026-04-17T10:03:02 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 24/02485 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:99 Rechtspraak.nl RvdW 2026/473 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:385 text/html public 2026-03-17T12:35:04 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:385 Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/02485 Caribische zaak. Medeplegen vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kg cocaïne op boot in Caribische Zee nabij Venezuela, art. 3.B en 3.C Opiumlandsverordening 1960. 1. Afwijzing van herhaald verzoek om resultaten van onderzoek door Landsrecherche bij processtukken te voegen, art. 4.1 SvC. 2. Verweer dat vervolging van verdachte(n) dusdanig apert onevenredig is dat met (voortzetting van) vervolging geen door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend en verzuim van hof om ambtshalve onderzoek te verrichten naar ontvankelijkheid van OM in vervolging. 3. Verweer dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging. HR: art. 81.1 RO, mede gelet op HR:2026:383 t.a.v. verzoek tot voeging bij processtukken. Samenhang met 24/02483 C en 24/02484 C. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02485 C Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 6 juni 2024, nummer H-109/23, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.A. Franken bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het – ten aanzien van het eerste cassatiemiddel mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van vandaag in de zaak 24/02483 C, ECLI:NL:HR:2026:383 – namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en acht maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:385 text/xml public 2026-04-17T10:03:02 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-17 24/02485 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:99 Rechtspraak.nl RvdW 2026/473 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:385 text/html public 2026-03-17T12:35:04 2026-03-17 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:385 Hoge Raad , 17-03-2026 / 24/02485 Caribische zaak. Medeplegen vervoeren en aanwezig hebben van ruim 1.600 kg cocaïne op boot in Caribische Zee nabij Venezuela, art. 3.B en 3.C Opiumlandsverordening 1960. 1. Afwijzing van herhaald verzoek om resultaten van onderzoek door Landsrecherche bij processtukken te voegen, art. 4.1 SvC. 2. Verweer dat vervolging van verdachte(n) dusdanig apert onevenredig is dat met (voortzetting van) vervolging geen door strafrechtelijke handhaving beschermd belang kan zijn gediend en verzuim van hof om ambtshalve onderzoek te verrichten naar ontvankelijkheid van OM in vervolging. 3. Verweer dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging. HR: art. 81.1 RO, mede gelet op HR:2026:383 t.a.v. verzoek tot voeging bij processtukken. Samenhang met 24/02483 C en 24/02484 C. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02485 C Datum 17 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een vonnis van het Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba van 6 juni 2024, nummer H-109/23, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1990, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.A. Franken bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het – ten aanzien van het eerste cassatiemiddel mede gelet op het arrest van de Hoge Raad van vandaag in de zaak 24/02483 C, ECLI:NL:HR:2026:383 – namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De verdachte bevindt zich in voorlopige hechtenis. De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan zestien maanden zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van zeven jaren. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze zes jaren en acht maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 17 maart 2026 .