Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-06
ECLI:NL:HR:2026:366
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
509 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:366 text/xml public 2026-03-06T11:05:17 2026-03-05 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-06 25/02629 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:366 text/html public 2026-03-05T16:35:12 2026-03-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:366 Hoge Raad , 06-03-2026 / 25/02629 HR verklaart het beroep in cassatie n-o. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02629 Datum 6 maart 2026 ARREST op het door A.F.M.J. Verhoeven ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Den Haag van 6 juni 2025, nr. SGR 24/8276 V. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief van 28 augustus 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door de indiener van het beroepschrift opgegeven adres. Het griffierecht is niet voldaan. De griffier van de Hoge Raad heeft de indiener van het beroepschrift bij aangetekende brief van 26 september 2025 in de gelegenheid gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgeleverd op het door de indiener van het beroepschrift opgegeven adres. De indiener van het beroepschrift heeft van deze gelegenheid geen gebruikgemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 6 maart 2026.