Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-10
ECLI:NL:HR:2026:344
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,737 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:344 text/xml public 2026-04-10T10:03:21 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-10 25/00332 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie Beschikking NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1374 Rechtspraak.nl RvdW 2026/439 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:344 text/html public 2026-03-10T11:04:53 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:344 Hoge Raad , 10-03-2026 / 25/00332 Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klager en ander op woning, auto’s, boot, effectenportefeuilles en bankrekeningen in Zwitserland en Nederland t.l.v. klager en die ander i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. 1. Kon Rb (economische raadkamer) - in het licht van aangevoerde over wanverhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van mogelijk op te leggen betalingsverplichting - oordelen dat beslag niet in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat sprake is van ‘overbeslag’? Belang bij cassatie nu door raadslieden geschatte waarde van inbeslaggenomen voorwerpen lager is dan hoogte van geschat w.v.v.? 2. Kon Rb - in het licht van aangevoerde over persoonlijke belangen van klager bij opheffing van beslag - oordelen dat voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat klager a.g.v. beslag in zodanig nijpende financiële situatie verkeert dat voortduring van beslag in strijd zou zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/00320 B, 25/00321 B, 25/00322 B, 25/00326 B, 25/00328 B, 25/00330 B, 25/00331 B, 25/00333 B, 25/00334 B en 25/00335 B. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00332 B Datum 10 maart 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/020110, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de klager. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:344 text/xml public 2026-04-10T10:03:21 2026-03-04 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-10 25/00332 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie Beschikking NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1374 Rechtspraak.nl RvdW 2026/439 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:344 text/html public 2026-03-10T11:04:53 2026-03-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:344 Hoge Raad , 10-03-2026 / 25/00332 Beklag, beslag ex art. 94a Sv onder klager en ander op woning, auto’s, boot, effectenportefeuilles en bankrekeningen in Zwitserland en Nederland t.l.v. klager en die ander i.h.k.v. strafrechtelijk onderzoek “Milwaukee” t.z.v. verdenking van illegaal aanbieden van online kansspelen, witwassen en deelname aan criminele organisatie, met het oog op ontneming van w.v.v. Proportionaliteit en subsidiariteit van voortzetting van beslag. 1. Kon Rb (economische raadkamer) - in het licht van aangevoerde over wanverhouding tussen waarde van inbeslaggenomen voorwerpen en te verwachten hoogte van mogelijk op te leggen betalingsverplichting - oordelen dat beslag niet in strijd is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat sprake is van ‘overbeslag’? Belang bij cassatie nu door raadslieden geschatte waarde van inbeslaggenomen voorwerpen lager is dan hoogte van geschat w.v.v.? 2. Kon Rb - in het licht van aangevoerde over persoonlijke belangen van klager bij opheffing van beslag - oordelen dat voortzetting van beslag in overeenstemming is met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit omdat zij niet kan vaststellen dat klager a.g.v. beslag in zodanig nijpende financiële situatie verkeert dat voortduring van beslag in strijd zou zijn met eisen van proportionaliteit en subsidiariteit? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 25/00320 B, 25/00321 B, 25/00322 B, 25/00326 B, 25/00328 B, 25/00330 B, 25/00331 B, 25/00333 B, 25/00334 B en 25/00335 B. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 25/00332 B Datum 10 maart 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Oost-Brabant van 30 mei 2024, nummer RK 23/020110, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klager] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de klager. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klager. Namens deze hebben de advocaten G.J.M.E. de Bont, C.J.M. Perraud en M. Prins bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadslieden De Bont en Prins hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de rechtbank beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Deze beschikking is gegeven door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 maart 2026 .