Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-27
ECLI:NL:HR:2026:318
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
600 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:318 text/xml public 2026-02-27T16:43:40 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-27 24/03253 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:2649 Rechtspraak.nl NLF 2026/0417 Viditax (FutD) 2026022710 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:318 text/html public 2026-02-26T15:39:04 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:318 Hoge Raad , 27-02-2026 / 24/03253 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03253 Datum 27 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 augustus 2024, nr. 23/1147 , op het hoger beroep van de Inspecteur en het incidentele hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank ZeelandWestBrabant (nrs. BRE 22/665 en 22/666) betreffende de aan belanghebbende voor de jaren 2018 en 2019 opgelegde aanslagen in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen en de daarbij voor het jaar 2018 gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door V.J. de Groot, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de klacht De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:2649.