Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-27
ECLI:NL:HR:2026:315
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
549 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:315 text/xml public 2026-02-27T16:43:41 2026-02-26 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-27 24/02728 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:998 Rechtspraak.nl NLF 2026/0415 NDFR Nieuws 2026/332 Viditax (FutD) 2026022712 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:315 text/html public 2026-02-26T15:25:55 2026-02-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:315 Hoge Raad , 27-02-2026 / 24/02728 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/02728 Datum 27 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 11 juni 2024, nr. BK-23/962 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/2614) betreffende het van belanghebbende ingehouden bedrag aan loonheffingen over het tijdvak november 2021. 1 Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.W.C. Feteris als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026. ECLI:NL:GHDHA:2024:998.