Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-06
ECLI:NL:HR:2026:3
Strafrecht
Cassatie
1,943 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:3 text/xml public 2026-02-13T10:03:41 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-06 23/03882 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1183 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0002 RvdW 2026/183 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:3 text/html public 2026-01-06T15:21:31 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:3 Hoge Raad , 06-01-2026 / 23/03882 Openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg, art. 141.1.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Kon hof voor bewijs gebruik maken van verklaringen van aangever en getuigen gelet op wat door verdediging naar voren is gebracht over onbetrouwbaarheid van die verklaringen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft verweer van verdediging kennelijk niet aangemerkt als afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake betrouwbaarheid en bruikbaarheid van verklaringen van aangever en getuigen, maar kennelijk opgevat als onderbouwing van algemener bewijsverweer. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uitleg van verweren is voorbehouden aan feitenrechter. Standpunt van raadsvrouw dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, vindt zijn weerlegging in de door hof gebruikte bewijsmiddelen. Tot nadere motivering was hof gelet op art. 359.2 Sv niet gehouden. Volgt verwerping. Samenhang met 23/03879. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03882 Datum 6 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023, nummer 22-003496-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , in weerwil van wat door de verdediging naar voren was gebracht over de onbetrouwbaarheid van die verklaringen. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 5 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:3 text/xml public 2026-02-13T10:03:41 2025-12-19 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-06 23/03882 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1183 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0002 RvdW 2026/183 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:3 text/html public 2026-01-06T15:21:31 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:3 Hoge Raad , 06-01-2026 / 23/03882 Openlijke geweldpleging met enig lichamelijk letsel tot gevolg, art. 141.1.2 Sr. Vrijspraak in eerste aanleg. Bewijsklacht. Kon hof voor bewijs gebruik maken van verklaringen van aangever en getuigen gelet op wat door verdediging naar voren is gebracht over onbetrouwbaarheid van die verklaringen? HR: Om redenen vermeld in CAG leidt middel niet tot cassatie. CAG: Hof heeft verweer van verdediging kennelijk niet aangemerkt als afzonderlijk uitdrukkelijk onderbouwd standpunt inzake betrouwbaarheid en bruikbaarheid van verklaringen van aangever en getuigen, maar kennelijk opgevat als onderbouwing van algemener bewijsverweer. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, in aanmerking genomen dat uitleg van verweren is voorbehouden aan feitenrechter. Standpunt van raadsvrouw dat verdachte moet worden vrijgesproken vanwege onvoldoende wettig en overtuigend bewijs, vindt zijn weerlegging in de door hof gebruikte bewijsmiddelen. Tot nadere motivering was hof gelet op art. 359.2 Sv niet gehouden. Volgt verwerping. Samenhang met 23/03879. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03882 Datum 6 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 2 oktober 2023, nummer 22-003496-20, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal M.E. van Wees heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat het hof voor het bewijs gebruik heeft gemaakt van de verklaringen van de aangever en de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] , in weerwil van wat door de verdediging naar voren was gebracht over de onbetrouwbaarheid van die verklaringen. 2.2 Het cassatiemiddel leidt niet tot cassatie. De redenen daarvoor staan vermeld in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2. 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde geheel voorwaardelijke taakstraf van tachtig uren volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 5 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en F. Damsteegt, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 .