Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-13
ECLI:NL:HR:2026:255
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
586 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:255 text/xml public 2026-02-13T16:34:53 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-13 23/04696 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2023:2083 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026021316 NDFR Nieuws 2026/239 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:255 text/html public 2026-02-13T11:02:24 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:255 Hoge Raad , 13-02-2026 / 23/04696 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04696 Datum 13 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 19 oktober 2023, nrs. BK-21/00563 tot en met BK-21/00565 , op het hoger beroep van belanghebbende en het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nrs. SGR 20/280, SGR 20/288 en SGR 20/289) betreffende de aan belanghebbende over de jaren 2014 tot en met 2018 opgelegde naheffingsaanslagen in de omzetbelasting en de daarbij gegeven beschikkingen inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Beoordeling van de middelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026. ECLI:NL:GHDHA:2023:2083.