Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-13
ECLI:NL:HR:2026:251
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
607 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:251 text/xml public 2026-02-14T00:01:07 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-13 24/04408 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:1918 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:251 text/html public 2026-02-13T10:36:09 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:251 Hoge Raad , 13-02-2026 / 24/04408 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/04408 Datum 13 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het DAGELIJKS BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GOUWE-RIJNLAND op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Den Haag van 22 oktober 2024, nr. BK-23/1268 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Den Haag (nr. SGR 22/5877) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door R. van der Weide, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (hierna: het Dagelijks Bestuur), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Het Dagelijks Bestuur heeft een conclusie van dupliek ingediend. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026. ECLI:NL:GHDHA:2024:1918.