Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-13
ECLI:NL:HR:2026:248
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
1,148 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:248 text/xml public 2026-02-13T11:05:31 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-13 25/03741 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:248 text/html public 2026-02-13T10:17:15 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:248 Hoge Raad , 13-02-2026 / 25/03741 HR verklaart het beroep in cassatie n-o. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/03741 Datum 13 februari 2026 ARREST op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2025, nr. LEE 25/284 V. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 21 november 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. Het griffierecht is niet voldaan. De griffier van de Hoge Raad heeft op 22 december 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 22 december 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 22 december 2025. Belanghebbende heeft van de hiervoor bedoelde gelegenheid geen gebruikgemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:248 text/xml public 2026-02-13T11:05:31 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-13 25/03741 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:248 text/html public 2026-02-13T10:17:15 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:248 Hoge Raad , 13-02-2026 / 25/03741 HR verklaart het beroep in cassatie n-o. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/03741 Datum 13 februari 2026 ARREST op het door [X] B.V. (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.F.M.J. Verhoeven, ingestelde beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland van 2 september 2025, nr. LEE 25/284 V. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De griffier van de Hoge Raad heeft belanghebbende bij aangetekende brief van 21 november 2025 gewezen op de verschuldigdheid van griffierecht en voor de betaling daarvan een termijn van vier weken gesteld. Deze brief is volgens de gegevens van Track&Trace van PostNL afgehaald op de afhaallocatie. Het griffierecht is niet voldaan. De griffier van de Hoge Raad heeft op 22 december 2025 een bericht in het digitale dossier van belanghebbende geplaatst waarbij belanghebbende in de gelegenheid is gesteld mee te delen waarom het griffierecht niet is betaald. Van de plaatsing van het hiervoor vermelde bericht in dit digitale dossier is eveneens op 22 december 2025 een kennisgeving verzonden naar het door belanghebbende voor dit doel opgegeven e-mailadres. Op grond hiervan neemt de Hoge Raad aan dat belanghebbende dit bericht heeft ontvangen, en wel, gelet op artikel 8:36c, lid 2, Awb, op 22 december 2025. Belanghebbende heeft van de hiervoor bedoelde gelegenheid geen gebruikgemaakt. Het beroep in cassatie moet daarom op grond van artikel 8:41, lid 6, Awb niet-ontvankelijk worden verklaard. 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.E. van Hilten als voorzitter, en de raadsheren E.N. Punt en M.A. Fierstra, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier E. Cichowski, en in het openbaar uitgesproken op 13 februari 2026.