Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-13
ECLI:NL:HR:2026:227
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
697 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:227 text/xml public 2026-02-14T00:00:46 2026-02-12 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-13 23/01964 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:882 In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2023:3744 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:227 text/html public 2026-02-12T16:38:27 2026-02-13 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:227 Hoge Raad , 13-02-2026 / 23/01964 Hypotheekfraude. Opzettelijk gebruiken, afleveren en voorhanden hebben van valse werkgeversverklaring (art. 225.2 Sr). Bewijsklacht opzet. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01961 en 24/00336. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/01964 Datum 13 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 9 mei 2023, nummer 23-000423-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1964, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat A.N. Slijters bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf, en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van zeven weken volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T.B. Trotman en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 februari 2026 .