Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-06
ECLI:NL:HR:2026:208
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
1,059 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:208 text/xml public 2026-02-06T16:04:07 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-06 24/01865 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:2174 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026020607 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:208 text/html public 2026-02-06T09:30:50 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:208 Hoge Raad , 06-02-2026 / 24/01865 HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01865 Datum 6 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2024, nr. BK-ARN 23/484 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 22/1566) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:2174.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:208 text/xml public 2026-02-23T14:17:50 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-06 24/01865 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHARL:2024:2174 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026020607 FutD 2026-0225 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:208 text/html public 2026-02-06T09:30:50 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:208 Hoge Raad , 06-02-2026 / 24/01865 HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/01865 Datum 6 februari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 26 maart 2024, nr. BK-ARN 23/484 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Nederland (nr. LEE 22/1566) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2018 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen, de daarbij gegeven boetebeschikking en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:2174.