Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-06
ECLI:NL:HR:2026:196
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
2,090 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:196 text/xml public 2026-02-06T16:04:05 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-06 24/03065 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:2080 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026020601 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:196 text/html public 2026-02-05T15:09:53 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:196 Hoge Raad , 06-02-2026 / 24/03065 Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen; art. 6.40, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001; aftrek persoonsgebonden scholingsuitgave; tijdstip betaling collegegeld na overboeking aan universiteit in het kader van aanvraag van een verblijfsvergunning met als doel studie. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03065 Datum 6 februari 2026 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2024, nr. 23/409 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 22/277) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001. 1 Geding in cassatie De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. 2 Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverweging 4.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/03064, ECLI:NL:HR:2026:84. 3. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen De middelen slagen op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.1.2 en 5.2.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/03064, ECLI:NL:HR:2026:84. 4 Slotsom Gelet op wat hiervoor in onderdeel 2 en 3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 5 Proceskosten 5.1 Wat betreft het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5.2 Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 24/02855, 24/03064, 24/03065, 24/03066 en 24/03067 wat betreft de cassatieprocedure met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 5.3 Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank, en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend. 6 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, - verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vijfde van € 2.802, oftewel € 560,40 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:2080.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:196 text/xml public 2026-02-27T11:25:38 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-06 24/03065 Uitspraak Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:2080 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026020601 FutD 2026-0222 NTFR 2026/309 NLF 2026/0270 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:196 text/html public 2026-02-05T15:09:53 2026-02-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:196 Hoge Raad , 06-02-2026 / 24/03065 Inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen; art. 6.40, lid 1, aanhef en letter a, Wet IB 2001; aftrek persoonsgebonden scholingsuitgave; tijdstip betaling collegegeld na overboeking aan universiteit in het kader van aanvraag van een verblijfsvergunning met als doel studie. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03065 Datum 6 februari 2026 ARREST in de zaak van de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN tegen [X] (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juni 2024, nr. 23/409 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant (nr. BRE 22/277) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking als bedoeld in artikel 6.2a, lid 1, Wet IB 2001. 1 Geding in cassatie De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P] , heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Belanghebbende, vertegenwoordigd door T.G. van Laarhoven, heeft een verweerschrift ingediend. Hij heeft ook incidenteel beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie en het geschrift waarbij incidenteel beroep in cassatie is ingesteld, zijn aan dit arrest gehecht en maken daarvan deel uit. De Staatssecretaris heeft schriftelijk zijn zienswijze over het incidentele beroep naar voren gebracht. 2 Beoordeling van het in het principale beroep in cassatie voorgestelde middel Het middel slaagt op de gronden vermeld in rechtsoverweging 4.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/03064, ECLI:NL:HR:2026:84. 3. Beoordeling van de in het incidentele beroep in cassatie voorgestelde middelen De middelen slagen op de gronden vermeld in rechtsoverwegingen 5.1.2 en 5.2.2 van het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak met nummer 24/03064, ECLI:NL:HR:2026:84. 4 Slotsom Gelet op wat hiervoor in onderdeel 2 en 3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. Verwijzing moet volgen. 5 Proceskosten 5.1 Wat betreft het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 5.2 Wat betreft het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende zal de Staatssecretaris worden veroordeeld tot vergoeding van de kosten die belanghebbende voor het geding in cassatie heeft moeten maken. Hierbij wordt in aanmerking genomen dat de zaken met nummers 24/02855, 24/03064, 24/03065, 24/03066 en 24/03067 wat betreft de cassatieprocedure met elkaar samenhangen in de zin van het Besluit proceskosten bestuursrecht. 5.3 Door het verwijzingshof zal worden beoordeeld of aan belanghebbende voor de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank, en in verband met de behandeling van het bezwaar een vergoeding moet worden toegekend. 6 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën als het incidentele beroep in cassatie van belanghebbende gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, - verwijst het geding naar het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden ter verdere behandeling en beslissing van de zaak met inachtneming van dit arrest, en - veroordeelt de Staatssecretaris van Financiën in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op een vijfde van € 2.802, oftewel € 560,40 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris en A.E.H. van der Voort Maarschalk, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2026. ECLI:NL:GHSHE:2024:2080.