Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-10
ECLI:NL:HR:2026:188
Strafrecht
Cassatie
1,457 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:188 text/xml public 2026-02-13T16:23:37 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-10 24/02918 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:711 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0059 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:188 text/html public 2026-02-10T13:58:33 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:188 Hoge Raad , 10-02-2026 / 24/02918 Onderzoek Vidar. Medeplegen poging tot uitvoer van cocaïne (art. 2.A Opiumwet). Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van buiten grondgebied van Nederland brengen van cocaïne worden afgeleid? Om redenen vermeld in HR:2026:189 faalt middel. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749 P, 24/02802, 24/02842 en 24/02860 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o). HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02918 Datum 10 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003526-22, in de strafzaak tegen [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadslieden van de betrokkene hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde poging tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Het voert daartoe aan dat uit de bewijsvoering niet een begin van uitvoering van dat misdrijf kan worden afgeleid. 2.2 Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/02860, ECLI:NL:HR:2026:189. 3 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:188 text/xml public 2026-03-20T10:03:50 2026-02-05 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-10 24/02918 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:711 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0059 RvdW 2026/366 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:188 text/html public 2026-02-10T13:58:33 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:188 Hoge Raad , 10-02-2026 / 24/02918 Onderzoek Vidar. Medeplegen poging tot uitvoer van cocaïne (art. 2.A Opiumwet). Bewijsklacht poging, begin van uitvoering a.b.i. art. 45.1 Sr. Kan uit bewijsvoering begin van uitvoering van buiten grondgebied van Nederland brengen van cocaïne worden afgeleid? Om redenen vermeld in HR:2026:189 faalt middel. Volgt verwerping. Samenhang met 24/02694, 24/02748, 24/02749 P, 24/02802, 24/02842 en 24/02860 en met 24/02861 P (niet gepubliceerd; geen middelen ingediend, betrokkene n-o). HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/02918 Datum 10 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 12 juli 2024, nummer 21-003526-22, in de strafzaak tegen [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1976, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. De raadslieden van de betrokkene hebben daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over de bewezenverklaring van de onder 1 tenlastegelegde poging tot het buiten het grondgebied van Nederland brengen van cocaïne. Het voert daartoe aan dat uit de bewijsvoering niet een begin van uitvoering van dat misdrijf kan worden afgeleid. 2.2 Het cassatiemiddel faalt. De redenen daarvoor staan vermeld in het arrest dat de Hoge Raad vandaag heeft uitgesproken in de zaak 24/02860, ECLI:NL:HR:2026:189. 3 Beoordeling van het eerste en het derde cassatiemiddel De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C. Caminada, T. Kooijmans, F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026 .