Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-10
ECLI:NL:HR:2026:175
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
670 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:175 text/xml public 2026-03-20T10:03:55 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-10 23/04198 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:70 Rechtspraak.nl RvdW 2026/352 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:175 text/html public 2026-02-10T14:21:00 2026-02-10 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:175 Hoge Raad , 10-02-2026 / 23/04198 Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben van 141 pillen en 108 gram MDMA, art. 2.C Opiumwet. 1. Bewijsklacht opzet. Had verdachte wetenschap van aanwezigheid van harddrugs in magnetron in zijn woning? 2. Bewijsklacht medeplegen. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/01497. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04198 Datum 10 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 oktober 2023, nummer 21-005751-18, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1994, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat M.A.C. de Bruijn bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 71 dagen, waarvan 30 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 10 februari 2026 .