Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-06
ECLI:NL:HR:2026:17
Strafrecht
Cassatie
2,073 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:17 text/xml public 2026-02-13T10:03:40 2026-01-02 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-06 24/00107 Uitspraak Cassatie Beschikking NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1276 Rechtspraak.nl RvdW 2026/188 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:17 text/html public 2026-01-06T15:56:33 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:17 Hoge Raad , 06-01-2026 / 24/00107 Beklag ex art. 552a Sv en beklag ex art. 98.4 jo. 552a Sv tegen beslag ex art. 94 Sv op waardegoederen, gegevensdragers en administratie onder klaagsters en medeklager t.z.v. verdenking van illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten EU en daarbij gebruik maken van vervalste handelsdocumenten. Ontbrekend p-v van onderzoek door raadkamer, art. 25.1 Sv. O.g.v. art. 25.1 Sv moet van onderzoek door raadkamer door griffier een p-v worden opgemaakt met daarin zakelijke inhoud van afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over inrichting, vaststelling en ondertekening van dat p-v en voeging ervan bij processtukken. P-v ontbreekt bij stukken die aan HR zijn gezonden. Naar aanleiding van verzoek dat raadsman o.g.v. art. 4.3.6.3 van Procesreglement HR heeft gedaan, is bij Rb nadere informatie ingewonnen. O.g.v. die informatie moet worden aangenomen dat geen p-v is opgemaakt. Volgt vernietiging en terugwijzing. Vervolg op HR:2022:60. Samenhang met 24/00106 Bv. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00107 Bv Datum 6 januari 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023, nummers RK 23/021939, 22/24, 22/25 en 22/26, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster 1] B.V., gevestigd in [plaats], en [klaagster 2] B.V., gevestigd in [plaats], en [klaagster 3] B.V., gevestigd in [plaats], hierna: de klaagsters. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klaagsters. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 25 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 24 maart 2023 is opgemaakt. 2.2 Op grond van artikel 25 lid 1 Sv moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken. 2.3 Het proces-verbaal waarop het cassatiemiddel doelt, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een verzoek dat de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft gedaan, is bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal is opgemaakt. Het cassatiemiddel slaagt daarom. 3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank; - wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan. Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:17 text/xml public 2026-02-13T10:03:40 2026-01-02 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-06 24/00107 Uitspraak Cassatie Beschikking NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1276 Rechtspraak.nl RvdW 2026/188 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:17 text/html public 2026-01-06T15:56:33 2026-01-06 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:17 Hoge Raad , 06-01-2026 / 24/00107 Beklag ex art. 552a Sv en beklag ex art. 98.4 jo. 552a Sv tegen beslag ex art. 94 Sv op waardegoederen, gegevensdragers en administratie onder klaagsters en medeklager t.z.v. verdenking van illegale export van grote hoeveelheden verwerkte dierlijke eiwitten naar landen buiten EU en daarbij gebruik maken van vervalste handelsdocumenten. Ontbrekend p-v van onderzoek door raadkamer, art. 25.1 Sv. O.g.v. art. 25.1 Sv moet van onderzoek door raadkamer door griffier een p-v worden opgemaakt met daarin zakelijke inhoud van afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over inrichting, vaststelling en ondertekening van dat p-v en voeging ervan bij processtukken. P-v ontbreekt bij stukken die aan HR zijn gezonden. Naar aanleiding van verzoek dat raadsman o.g.v. art. 4.3.6.3 van Procesreglement HR heeft gedaan, is bij Rb nadere informatie ingewonnen. O.g.v. die informatie moet worden aangenomen dat geen p-v is opgemaakt. Volgt vernietiging en terugwijzing. Vervolg op HR:2022:60. Samenhang met 24/00106 Bv. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00107 Bv Datum 6 januari 2026 BESCHIKKING op het beroep in cassatie tegen een beschikking van de rechtbank Overijssel van 22 december 2023, nummers RK 23/021939, 22/24, 22/25 en 22/26, op een klaagschrift als bedoeld in artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering en een klaagschrift als bedoeld in artikel 98 lid 4 in samenhang met artikel 552a van het Wetboek van Strafvordering, ingediend door [klaagster 1] B.V., gevestigd in [plaats], en [klaagster 2] B.V., gevestigd in [plaats], en [klaagster 3] B.V., gevestigd in [plaats], hierna: de klaagsters. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de klaagsters. Namens deze heeft de advocaat Th.J. Kelder bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft geconcludeerd tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank en tot terugwijzing van de zaak naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in strijd met artikel 25 lid 1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) geen proces-verbaal van het onderzoek door de raadkamer van 24 maart 2023 is opgemaakt. 2.2 Op grond van artikel 25 lid 1 Sv moet van het onderzoek door de raadkamer door de griffier een proces-verbaal worden opgemaakt met daarin de zakelijke inhoud van de afgelegde verklaringen en wat verder bij dat onderzoek is voorgevallen. Deze bepaling bevat daarnaast voorschriften over de inrichting, vaststelling en ondertekening van dat proces-verbaal en de voeging ervan bij de processtukken. 2.3 Het proces-verbaal waarop het cassatiemiddel doelt, ontbreekt bij de stukken die aan de Hoge Raad zijn gezonden. Naar aanleiding van een verzoek dat de raadsman op grond van artikel 4.3.6.3 van het Procesreglement Hoge Raad der Nederlanden heeft gedaan, is bij de rechtbank nadere informatie ingewonnen. Op grond van die informatie moet worden aangenomen dat geen proces-verbaal is opgemaakt. Het cassatiemiddel slaagt daarom. 3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen Gelet op de beslissing die hierna volgt, is bespreking van het tweede en het derde cassatiemiddel niet nodig. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de beschikking van de rechtbank; - wijst de zaak terug naar de rechtbank Overijssel, opdat de zaak opnieuw wordt behandeld en afgedaan. Deze beschikking is gegeven door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier S.P. Bakker, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 6 januari 2026 .