Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-03
ECLI:NL:HR:2026:167
Strafrecht
Cassatie
6,054 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:167 text/xml public 2026-03-13T10:06:25 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 24/00807 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:958 In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:441 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0036 NJB 2026/361 RvdW 2026/310 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:167 text/html public 2026-01-30T16:32:27 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:167 Hoge Raad , 03-02-2026 / 24/00807 Profijtontneming, w.v.v. uit gewoontewitwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.3 Sr. Beginpunt van redelijke termijn in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat niet moment waarop betrokkene ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem strafrechtelijk financieel onderzoek a.b.i. art. 126 Sv is ingesteld maar moment waarop OvJ voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, heeft te gelden als beginpunt van redelijke termijn? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. toetsing van oordeel van feitenrechter inzake redelijke termijn door HR en aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. in ontnemingszaken. Hof heeft moment waarop OvJ het voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken a.b.i. art. 311.1 Sv als aanvangsmoment genomen bij zijn oordeel over de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in e.a. Dat oordeel getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is (mede in aanmerking genomen dat door verdediging niet is onderbouwd dat betrokkene al bij aanvang van dit strafrechtelijk financieel onderzoek ervan op de hoogte was geraakt dat tegen hem zo’n onderzoek werd ingesteld) ook toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat Rb van ander aanvangsmoment is uitgegaan. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2022:1359. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00807 P Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 februari 2024, nummer 23-002622-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, geldt als beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 2.2.1 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in: “16. Mocht u de verdediging volgen in diens primair gevoerde verweer dan wil ik u vragen om bij de oplegging van de uiteindelijk betalingsverplichting rekening te houden met de schending van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg, als het eerste hoger beroep. Daarnaast wil ik u vragen acht te slaan op de lengte van de procedure in zijn geheel welke momenteel al bijna 7 ½ jaar beslaat. [Voetnoot: Uitgaande van 10 oktober 2016 (startpunt strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv) als startpunt van de redelijke termijn.] 17. Het hof heeft de schending van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteert in de opgelegde gevangenisstraf maar het staat uw hof vanzelfsprekend vrij om hier alsnog in de ontnemingszaak een rechtsgevolg aan te verbinden. De verdediging zou dit met het oog op de lengte van de procedure in zijn geheel - en mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM waar in beginsel wordt uitgegaan van de vuistregel van grofweg 1 jaar per instantie - redelijk en billijk achten. 18. Mocht u de verdediging niet volgen in het primair gevoerde verweer en het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek afwijzen, dan wil ik Uw hof meer subsidiair vragen om op eenzelfde gronden als aangevoerd onder randnummers 16 en 17 rekening te houden met de schending van de redelijke termijn en dit te verdisconteren in de op te leggen terugbetalingsverplichting.” 2.2.2 Het hof heeft over de berechting binnen een redelijke termijn overwogen: “In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken. In eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 18 juli 2018. De rechtbank heeft binnen 2 jaren - namelijk op 19 maart 2019 - vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden. Op 21 maart 2019 is hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 9 juni 2021 arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden. Ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en heeft die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg gehad. Daarmee is de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, ook in deze ontnemingszaak, voldoende gecompenseerd. Daarom volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden. Op 21 juni 2021 is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2022 arrest gewezen. Bij deze stand van zaken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de behandeling in haar geheel, inclusief het beroep in cassatie en behandeling (opnieuw) door het hof, minder dan 6 jaren heeft geduurd, zal het hof geen matiging toepassen op de op te leggen betalingsverplichting. Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 149.387,60.” 2.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het recht van de betrokkene op behandeling van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn, zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 EVRM. Dit arrest houdt onder meer in: “3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd: a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. (...) 3.12.2. Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:167 text/xml public 2026-04-15T09:23:41 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 24/00807 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:958 In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:441 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0036 NJB 2026/361 RvdW 2026/310 NTS 2026/12 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:167 text/html public 2026-01-30T16:32:27 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:167 Hoge Raad , 03-02-2026 / 24/00807 Profijtontneming, w.v.v. uit gewoontewitwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.3 Sr. Beginpunt van redelijke termijn in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat niet moment waarop betrokkene ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem strafrechtelijk financieel onderzoek a.b.i. art. 126 Sv is ingesteld maar moment waarop OvJ voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, heeft te gelden als beginpunt van redelijke termijn? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. toetsing van oordeel van feitenrechter inzake redelijke termijn door HR en aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. in ontnemingszaken. Hof heeft moment waarop OvJ het voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken a.b.i. art. 311.1 Sv als aanvangsmoment genomen bij zijn oordeel over de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in e.a. Dat oordeel getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is (mede in aanmerking genomen dat door verdediging niet is onderbouwd dat betrokkene al bij aanvang van dit strafrechtelijk financieel onderzoek ervan op de hoogte was geraakt dat tegen hem zo’n onderzoek werd ingesteld) ook toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat Rb van ander aanvangsmoment is uitgegaan. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2022:1359. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00807 P Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 februari 2024, nummer 23-002622-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, geldt als beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 2.2.1 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in: “16. Mocht u de verdediging volgen in diens primair gevoerde verweer dan wil ik u vragen om bij de oplegging van de uiteindelijk betalingsverplichting rekening te houden met de schending van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg, als het eerste hoger beroep. Daarnaast wil ik u vragen acht te slaan op de lengte van de procedure in zijn geheel welke momenteel al bijna 7 ½ jaar beslaat. [Voetnoot: Uitgaande van 10 oktober 2016 (startpunt strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv) als startpunt van de redelijke termijn.] 17. Het hof heeft de schending van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteert in de opgelegde gevangenisstraf maar het staat uw hof vanzelfsprekend vrij om hier alsnog in de ontnemingszaak een rechtsgevolg aan te verbinden. De verdediging zou dit met het oog op de lengte van de procedure in zijn geheel - en mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM waar in beginsel wordt uitgegaan van de vuistregel van grofweg 1 jaar per instantie - redelijk en billijk achten. 18. Mocht u de verdediging niet volgen in het primair gevoerde verweer en het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek afwijzen, dan wil ik Uw hof meer subsidiair vragen om op eenzelfde gronden als aangevoerd onder randnummers 16 en 17 rekening te houden met de schending van de redelijke termijn en dit te verdisconteren in de op te leggen terugbetalingsverplichting.” 2.2.2 Het hof heeft over de berechting binnen een redelijke termijn overwogen: “In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken. In eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 18 juli 2018. De rechtbank heeft binnen 2 jaren - namelijk op 19 maart 2019 - vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden. Op 21 maart 2019 is hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 9 juni 2021 arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden. Ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en heeft die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg gehad. Daarmee is de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, ook in deze ontnemingszaak, voldoende gecompenseerd. Daarom volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden. Op 21 juni 2021 is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2022 arrest gewezen. Bij deze stand van zaken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de behandeling in haar geheel, inclusief het beroep in cassatie en behandeling (opnieuw) door het hof, minder dan 6 jaren heeft geduurd, zal het hof geen matiging toepassen op de op te leggen betalingsverplichting. Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 149.387,60.” 2.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het recht van de betrokkene op behandeling van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn, zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 EVRM. Dit arrest houdt onder meer in: “3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd: a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. (...) 3.12.2. Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:167 text/xml public 2026-03-13T10:06:25 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 24/00807 Uitspraak Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:958 In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:441 Rechtspraak.nl SR-Updates.nl 2026-0036 NJB 2026/361 RvdW 2026/310 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:167 text/html public 2026-01-30T16:32:27 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:167 Hoge Raad , 03-02-2026 / 24/00807 Profijtontneming, w.v.v. uit gewoontewitwassen. Methode van eenvoudige kasopstelling, art. 36e.3 Sr. Beginpunt van redelijke termijn in eerste aanleg. Kon hof oordelen dat niet moment waarop betrokkene ervan op de hoogte is geraakt dat tegen hem strafrechtelijk financieel onderzoek a.b.i. art. 126 Sv is ingesteld maar moment waarop OvJ voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, heeft te gelden als beginpunt van redelijke termijn? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BD2578 m.b.t. toetsing van oordeel van feitenrechter inzake redelijke termijn door HR en aanvangsmoment redelijke termijn in e.a. in ontnemingszaken. Hof heeft moment waarop OvJ het voornemen kenbaar heeft gemaakt ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken a.b.i. art. 311.1 Sv als aanvangsmoment genomen bij zijn oordeel over de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in e.a. Dat oordeel getuigt (gelet op wat hiervoor is vooropgesteld) niet van onjuiste rechtsopvatting. Het is (mede in aanmerking genomen dat door verdediging niet is onderbouwd dat betrokkene al bij aanvang van dit strafrechtelijk financieel onderzoek ervan op de hoogte was geraakt dat tegen hem zo’n onderzoek werd ingesteld) ook toereikend gemotiveerd. Daaraan doet niet af dat Rb van ander aanvangsmoment is uitgegaan. Volgt verwerping. Vervolg op HR:2022:1359. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00807 P Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof Amsterdam van 29 februari 2024, nummer 23-002622-22, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1980, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over het oordeel van het hof dat het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, geldt als beginpunt van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM). 2.2.1 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman van de betrokkene daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in: “16. Mocht u de verdediging volgen in diens primair gevoerde verweer dan wil ik u vragen om bij de oplegging van de uiteindelijk betalingsverplichting rekening te houden met de schending van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg, als het eerste hoger beroep. Daarnaast wil ik u vragen acht te slaan op de lengte van de procedure in zijn geheel welke momenteel al bijna 7 ½ jaar beslaat. [Voetnoot: Uitgaande van 10 oktober 2016 (startpunt strafrechtelijk financieel onderzoek als bedoeld in art. 126 Sv) als startpunt van de redelijke termijn.] 17. Het hof heeft de schending van de redelijke termijn in hoger beroep verdisconteert in de opgelegde gevangenisstraf maar het staat uw hof vanzelfsprekend vrij om hier alsnog in de ontnemingszaak een rechtsgevolg aan te verbinden. De verdediging zou dit met het oog op de lengte van de procedure in zijn geheel - en mede in het licht van de jurisprudentie van het EHRM waar in beginsel wordt uitgegaan van de vuistregel van grofweg 1 jaar per instantie - redelijk en billijk achten. 18. Mocht u de verdediging niet volgen in het primair gevoerde verweer en het voorwaardelijk gedane getuigenverzoek afwijzen, dan wil ik Uw hof meer subsidiair vragen om op eenzelfde gronden als aangevoerd onder randnummers 16 en 17 rekening te houden met de schending van de redelijke termijn en dit te verdisconteren in de op te leggen terugbetalingsverplichting.” 2.2.2 Het hof heeft over de berechting binnen een redelijke termijn overwogen: “In artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is het recht van iedere betrokkene gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn op de ontnemingsvordering wordt beslist. Uitgangspunt is dat een termijn van 2 jaren per instantie als redelijk is aan te merken. In eerste aanleg geldt als aanvangsmoment van de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn in dit geval het moment waarop de officier van justitie het voornemen kenbaar heeft gemaakt een ontnemingsvordering aanhangig te zullen maken, te weten op 18 juli 2018. De rechtbank heeft binnen 2 jaren - namelijk op 19 maart 2019 - vonnis gewezen zodat de redelijke termijn in eerste aanleg niet is overschreden. Op 21 maart 2019 is hoger beroep ingesteld. Het hof heeft op 9 juni 2021 arrest gewezen, zodat de redelijke termijn in hoger beroep met ruim 2 maanden is overschreden. Ook in de strafzaak is geoordeeld dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden en heeft die overschrijding een matiging van de aan de betrokkene opgelegde straf tot gevolg gehad. Daarmee is de schending van de redelijke termijn in hoger beroep, ook in deze ontnemingszaak, voldoende gecompenseerd. Daarom volstaat het hof met de constatering dat de redelijke termijn ook in de ontnemingszaak in hoger beroep is overschreden. Op 21 juni 2021 is beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft op 4 oktober 2022 arrest gewezen. Bij deze stand van zaken, waarbij het hof in aanmerking neemt dat de behandeling in haar geheel, inclusief het beroep in cassatie en behandeling (opnieuw) door het hof, minder dan 6 jaren heeft geduurd, zal het hof geen matiging toepassen op de op te leggen betalingsverplichting. Aan de betrokkene dient, ter ontneming van het door hem wederrechtelijk verkregen voordeel, de verplichting te worden opgelegd tot betaling aan de Staat van een bedrag van € 149.387,60.” 2.3 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578 enkele algemene uitgangspunten en regels geformuleerd over de inbreuk op het recht van de betrokkene op behandeling van zijn ontnemingszaak binnen een redelijke termijn, zoals gewaarborgd in artikel 6 lid 1 EVRM. Dit arrest houdt onder meer in: “3.7. Als cassatierechter onderzoekt de Hoge Raad het oordeel van de feitenrechter inzake het tijdsverloop vòòr de uitspraak waartegen beroep in cassatie is ingesteld. Dat onderzoek wordt als volgt begrensd: a. Het oordeel van de feitenrechter inzake de redelijke termijn kan in cassatie slechts in beperkte mate worden getoetst, in die zin dat de Hoge Raad alleen kan onderzoeken of het oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk is in het licht van alle omstandigheden van het geval. Van onbegrijpelijkheid zal overigens niet licht sprake zijn omdat een dergelijk oordeel sterk verweven pleegt te zijn met waarderingen van feitelijke aard die zich onttrekken aan een beoordeling door de cassatierechter. (...) 3.12.2. Ook in ontnemingszaken kan op het recht op een beslissing op de ontnemingsvordering binnen een redelijke termijn inbreuk worden gemaakt door het tijdsverloop, te rekenen vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem een vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel aanhangig zal worden gemaakt.