Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-03
ECLI:NL:HR:2026:163
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,617 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:163 text/xml public 2026-03-13T10:06:02 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 23/03049 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:41 Rechtspraak.nl RvdW 2026/300 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:163 text/html public 2026-01-30T17:16:36 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:163 Hoge Raad , 03-02-2026 / 23/03049 Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, art. 2.C Opiumwet. 1. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van getuige (verbalisant), op de grond dat verzoek onvoldoende is onderbouwd en noodzaak tot horen van getuige onvoldoende is gebleken. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 48 maanden). Toepassing LOVS-oriëntatiepunten. 3. Bewijsklachten m.b.t. redengevendheid van bewijsvoering voor bewezenverklaring en wetenschap van verdachte van cocaïne in laadruimte van bestelbus en beschikkingsmacht daarover. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03049 Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 augustus 2023, nummer 23-001684-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze 46 maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:163 text/xml public 2026-03-13T10:06:02 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 23/03049 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:41 Rechtspraak.nl RvdW 2026/300 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:163 text/html public 2026-01-30T17:16:36 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:163 Hoge Raad , 03-02-2026 / 23/03049 Medeplegen opzettelijk aanwezig hebben van cocaïne, art. 2.C Opiumwet. 1. Afwijzing van ttz. in hoger beroep gedaan (voorwaardelijk) verzoek tot het horen van getuige (verbalisant), op de grond dat verzoek onvoldoende is onderbouwd en noodzaak tot horen van getuige onvoldoende is gebleken. 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 48 maanden). Toepassing LOVS-oriëntatiepunten. 3. Bewijsklachten m.b.t. redengevendheid van bewijsvoering voor bewezenverklaring en wetenschap van verdachte van cocaïne in laadruimte van bestelbus en beschikkingsmacht daarover. HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03049 Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 3 augustus 2023, nummer 23-001684-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J. Kuijper en D.W.E. Sternfeld bij schriftuur en aanvullende schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van 48 maanden. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze 46 maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier B.C. Broekhuizen-Meuter, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026 .