Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-03
ECLI:NL:HR:2026:158
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
660 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:158 text/xml public 2026-03-13T10:06:01 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 23/03667 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1341 Rechtspraak.nl RvdW 2026/302 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:158 text/html public 2026-02-02T14:06:48 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:158 Hoge Raad , 03-02-2026 / 23/03667 Medeplegen diefstal uit auto d.m.v. braak (art. 311.1.4 en 311.1.5 Sr). Bewijsklacht medeplegen. Kan uit bewijsvoering “voldoende nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en medeverdachte” worden afgeleid? HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/03667 Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 13 september 2023, nummer 21-002111-21, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1991, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat L.C. de Lange bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.M.W. Paridaens heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. In het licht van de opgelegde gevangenisstraf van 60 dagen, waarvan 42 dagen voorwaardelijk, volstaat de Hoge Raad met het oordeel dat de redelijke termijn is overschreden, en is er geen aanleiding om aan dat oordeel enig ander rechtsgevolg te verbinden. 4 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien en T. Kooijmans, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026 .