Rechtspraak
Hoge Raad
2026-02-03
ECLI:NL:HR:2026:150
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,009 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:150 text/xml public 2026-03-13T10:06:16 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 24/00495 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:26 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2922 Rechtspraak.nl RvdW 2026/307 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:150 text/html public 2026-01-30T11:48:11 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:150 Hoge Raad , 03-02-2026 / 24/00495 Medeplegen inbraak in bedrijfspand, art. 311.1 Sr. Bewijsklacht herkenning van verdachte aan de hand van camerabeelden door verbalisanten. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/00583. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00495 Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 februari 2024, nummer 22-001982-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:150 text/xml public 2026-03-13T10:06:16 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-02-03 24/00495 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:26 In cassatie op : ECLI:NL:GHDHA:2024:2922 Rechtspraak.nl RvdW 2026/307 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:150 text/html public 2026-01-30T11:48:11 2026-02-03 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:150 Hoge Raad , 03-02-2026 / 24/00495 Medeplegen inbraak in bedrijfspand, art. 311.1 Sr. Bewijsklacht herkenning van verdachte aan de hand van camerabeelden door verbalisanten. HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 24/00583. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00495 Datum 3 februari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Den Haag van 8 februari 2024, nummer 22-001982-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1982, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat P. van Dongen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.H.P.H.M.C. van Kempen heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 3 februari 2026 .