Rechtspraak Hoge Raad 2026-09-11
ECLI:NL:HR:2026:1431
Vennootschapsbelasting; art. 20a, lid 1, Wet Vpb 1969; verliesverrekening; uitleg begrip geleden verliezen; latente verliezen; betekenis van het arrest ECLI:NL:HR:2004:AO7333 HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/02715 Datum 11 september 2026 ARREST in de zaak van [X] B.V. (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 23 mei 2023, nr. 22/00429 , op het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/940) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de vennootschapsbelasting, de daarin besloten liggende beschikking als bedoeld in artikel 20b, lid 1, van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 en de daarbij gegeven beschikking inzake belastingrente. 1 Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door S.C.W. Douma en A.O. Lubbers, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 1.2 Op 23 februari 2024 heeft Advocaat-Generaal P.J. Wattel geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 Als gevolg van het faillissement van de aandeelhouder van belanghebbende werd belanghebbende sinds medio 2012 – onder toezicht van een curator – beheerd door een bank. De bezittingen van belanghebbende bestonden destijds uit dertien verhuurde kantoorpanden en een bedrijfshal (hierna: het vastgoed). Vanwege de ongunstige situatie op de vastgoedmarkt besloot de bank het vastgoed voorlopig aan te houden en te blijven exploiteren totdat een geschikte koper was gevonden. 2.2 Op 23 december 2015 zijn de aandelen in belanghebbende overgedragen aan derden. Daarbij is voor het vastgoed een transactieprijs van € 72,5 miljoen overeengekomen. Het eigen vermogen van belanghebbende volgens de commerciële balans – na herwaardering van het vastgoed tot € 72,5 miljoen – bedroeg op die datum circa € 4,5 miljoen negatief. De fiscale boekwaarde van het vastgoed bedroeg op die datum € 89,8 miljoen. De transactiewaarde was per pand verschillend. In het ene geval lag de waarde lager en in het andere geval hoger dan de fiscale boekwaarde van het desbetreffende pand. 2.3 Op 29 december 2017 heeft belanghebbende drie tot het vastgoed behorende panden overgedragen aan drie dochtervennootschappen, die met ingang van 1 januari 2018 met haar zijn opgenomen in een fiscale eenheid in de zin van artikel 15 van de Wet op de vennootschapsbelasting 1969 (hierna: de Wet). Bij deze overdracht werd een boekverlies geleden van circa € 4,3 miljoen (hierna: het boekverlies). 2.4 Bij het vaststellen van de aanslag in de vennootschapsbelasting voor het jaar 2017 heeft de Inspecteur het boekverlies niet in aftrek toegelaten, omdat het bepaalde in artikel 20a, lid 1, van de Wet daaraan volgens hem in de weg staat. 3 De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was in geschil of de beperking van de verliesverrekening op grond van artikel 20a van de Wet ook geldt voor ten tijde van de belangenwijziging aanwezige latente verliezen. 3.2.1 Het Hof heeft vooropgesteld dat een louter grammaticale interpretatie van artikel 20a, lid 1, van de Wet niet leidt tot een eenduidige conclusie over de vraag of de reikwijdte van die bepaling is beperkt tot verliezen die overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 2, van de Wet bij beschikking zijn vastgesteld, of dat ook een nog niet gerealiseerd maar wel latent aanwezig verlies als een "geleden verlies" als bedoeld in die bepaling kan worden aangemerkt. 3.2.2 Vervolgens is het Hof nagegaan of de wetshistorie en de daarin tot uiting komende ratio van artikel 20a, lid 1, van de Wet de betekenis van die bepaling verhelderen. Naar het oordeel van het Hof blijkt uit de wetsgeschiedenis van artikel 20a van de Wet dat doel en strekking van die bepaling ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van doel en strekking van het tot 1 januari 2001 gegolden hebbende artikel 20, lid 5, (oud) van de Wet. Volgens het Hof is er geen reden om het onder de werking van artikel 20, lid 5, (oud) van de Wet gewezen arrest van de Hoge Raad van 9 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7333 (hierna: het arrest van 9 april 2004), niet eveneens van toepassing te laten zijn voor de toepassing van artikel 20a van de Wet, nu het in de Wet opnemen van artikel 20a en de wijziging daarvan per 2011 uitsluitend zijn bedoeld om daarmee het vóór 2001 geldende regime van artikel 20, lid 5, (oud) van de Wet te continueren en verder aan te scherpen. Dit betekent dat, in lijn met rechtsoverweging 3.4 van het arrest van 9 april 2004, de term "geleden" in artikel 20a, lid 1, van de Wet niet beperkend moet worden uitgelegd. In geval van een overgang van belangen vallen derhalve niet alleen gerealiseerde verliezen die bij beschikking zijn vastgesteld onder het bereik van artikel 20a van de Wet maar ook latente verliezen, aldus het Hof. 4 Beoordeling van het middel 4.1 Het middel richt zich tegen de hiervoor in 3.2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel heeft het Hof ten onrechte geoordeeld dat de in artikel 20a, lid 1, van de Wet neergelegde beperking van de verliesverrekening ook geldt voor ten tijde van de belangenwijziging aanwezige latente verliezen die na die belangenwijziging worden gerealiseerd. Dat oordeel acht het middel niet verenigbaar met de rechtszekerheid die de wetgever heeft beoogd te bieden met de invoering in 1995 van de in artikel 20b, lid 1, van de Wet genoemde verliesvaststellingsbeschikking. Door de uitspraak van het Hof kunnen immers jaren later discussies ontstaan over de hoogte van in het verleden geleden verliezen, terwijl de wetgever juist wenste te voorkomen dat rechtsonzekerheid bestaat over door de belastingplichtige te verrekenen verliezen. Aangezien het arrest van 9 april 2004 betrekking heeft op een geval waarin de artikelen 20a, lid 1, en 20b, lid 1, van de Wet nog niet van toepassing waren, heeft het Hof volgens het middel ten onrechte betekenis toegekend aan dat arrest. 4.2.1 Op grond van het op 1 januari 2001 ingevoerde artikel 20a, lid 1, van de Wet zijn, indien aannemelijk is dat in vergelijking met het begin van het oudste jaar waarvan een verlies nog niet volledig is verrekend, het uiteindelijke belang in de belastingplichtige in belangrijke mate is gewijzigd, de verliezen geleden voor het tijdstip waarop de wijziging heeft plaatsgevonden, in afwijking in zoverre van artikel 20 van de Wet, niet meer voorwaarts verrekenbaar. 4.2.2 Blijkens de totstandkomingsgeschiedenis van artikel 20a, lid 1, van de Wet wilde de wetgever met die bepaling de met artikel 20, lid 5, (oud) van de Wet ingezette lijn verder doortrekken en aanscherpen. Die lijn hield in dat er reden is om de verliesverrekening te beperken als de band met de aandeelhouders uit de periode van de verliezen en de band met de activiteiten waarmee de verliezen zijn geleden, in sterke mate verloren zijn gegaan. De aanscherping was onder meer erop gericht een einde te maken aan de ontwijkingsmogelijkheden die samenhingen met het in artikel 20, lid 5, (oud) van de Wet opgenomen stakingscriterium. Met ingang van 1 januari 2011 is artikel 20a van de Wet aangevuld. Die aanvulling was, kort gezegd, erop gericht verrekening van winst en verlies binnen het jaar van de wijziging van het uiteindelijke belang in de belastingplichtige te voorkomen, en behelsde dus eveneens een aanscherping. 4.2.3 In het arrest van 9 april 2004 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat het met de strekking van artikel 20, lid 5, (oud) van de Wet strookt dat wetsvoorschrift ook toe te passen voor zover de verliezen in fiscale zin weliswaar pas zijn gerealiseerd na de in dat voorschrift bedoelde overgang van belangen, maar voortvloeien uit feiten en omstandigheden die zich voor die overgang hebben voorgedaan.