Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-30
ECLI:NL:HR:2026:139
Bestuursrecht; Belastingrecht
Cassatie
518 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:139 text/xml public 2026-02-12T15:14:00 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-30 25/02672 Uitspraak Cassatie Artikel 80a RO-zaken NL Bestuursrecht; Belastingrecht In sprongcassatie op: ECLI:NL:RBZWB:2025:3861 Rechtspraak.nl NDFR Nieuws 2026/140 Viditax (FutD) 2026013006 FutD 2026-0180 V-N Vandaag 2026/166 NTFR 2026/259 V-N 2026/8.19.15 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:139 text/html public 2026-01-30T10:17:39 2026-01-30 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:139 Hoge Raad , 30-01-2026 / 25/02672 HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 25/02672 Datum 30 januari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende), vertegenwoordigd door A.M.L.R.M. van der Sande, tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN, vertegenwoordigd door [P], op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van de Rechtbank Zeeland-West-Brabant van 20 juni 2025, nrs. BRE 23/11833 tot en met 23/11839 , op het verzet van belanghebbende tegen de uitspraak van de Rechtbank van 1 oktober 2024. 1 Beoordeling van de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van de Rechtbank beoordeeld. De procureur-generaal bij de Hoge Raad heeft de gelegenheid gekregen een advies uit te brengen. De Hoge Raad is tot het oordeel gekomen dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Hij zal daarom gebruikmaken van de mogelijkheid om het beroep zonder verdere motivering niet-ontvankelijk te verklaren (zie artikel 80a van de Wet op de rechterlijke organisatie). 2 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 3 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie niet-ontvankelijk. Dit arrest is gewezen door de raadsheer M.T. Boerlage als voorzitter, en de raadsheren A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 30 januari 2026. ECLI:NL:RBZWB:2025:3861.