Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:HR:2026:135
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
523 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:135 text/xml public 2026-03-25T00:01:27 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-24 24/03052 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:2411 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:62 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:135 text/html public 2026-03-24T15:12:01 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:135 Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/03052 Bedreiging met zware mishandeling van supermarktmedewerker, art. 285.1 Sr. TBS met voorwaarden opgelegd. Kwalificatieklacht. Levert het toevoegen aan aangever dat hij hem na sluitingstijd zou opwachten en hem dan zou pakken, bedreiging met zware mishandeling op? HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/03052 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 26 juli 2024, nummer 20-002403-22, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat J.J.J. van Rijsbergen bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 .