Rechtspraak
Hoge Raad
2026-03-24
ECLI:NL:HR:2026:134
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
670 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:134 text/xml public 2026-03-25T00:01:23 2026-01-29 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-03-24 24/01721 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2024:1656 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2026:66 Rechtspraak.nl http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:134 text/html public 2026-03-24T14:46:35 2026-03-24 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:134 Hoge Raad , 24-03-2026 / 24/01721 Poging tot doodslag door, na woordenwisseling met aangever die zijn hond ongelijnd uitlaat, hem 9 maal in borst en rug te steken, art. 287 Sr. Ontslag van alle rechtsvervolging in eerste aanleg i.v.m. noodweerexces. 1. Noodweer(exces), art. 41.1 en 41.2 Sr. Kon hof bij vaststelling van f&o uitgaan van verklaring van aangever dat verdachte eerst heeft gestoken en aangever daarna pepperspray heeft gespoten i.p.v. andersom? 2. Strafmotivering (gevangenisstraf van 4 jaren, waarvan 2 jaren voorwaardelijk). Redelijke termijn in eerste aanleg. Heeft hof in uitspraak vermeld welke straf zou zijn opgelegd indien redelijke termijn niet zou zijn overschreden en, zo ja, is hof daarbij uitgegaan van straf die onverenigbaar is met art. 14a.2 Sr zodat de facto geen sprake is van strafvermindering en/of deze niet op zijn begrijpelijkheid kan worden getoetst? HR: art. 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01721 Datum 24 maart 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 16 april 2024, nummer 20-000682-23, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1961, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat D.N. de Jonge bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep. 2 Beoordeling van de cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beslissing De Hoge Raad verwerpt het beroep. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren F. Posthumus en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 24 maart 2026 .