Rechtspraak Hoge Raad 2026-08-07
ECLI:NL:HR:2026:1338
Art. 40, lid 2, Wet WOZ; gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde bij waardevaststelling van een niet-woning op grond van de huurwaardekapitalisatiemethode. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 23/04646 Datum 7 augustus 2026 ARREST in de zaak van het BESTUUR VAN DE BELASTINGSAMENWERKING GEMEENTEN EN HOOGHEEMRAADSCHAP UTRECHT tegen [X] B.V. (hierna: belanghebbende) op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 17 oktober 2023, nr. BK-ARN 22/466 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 21/1414) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020. 1 Geding in cassatie Het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht, vertegenwoordigd door [P1] en [P2], heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 De heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht (hierna: de heffingsambtenaar) heeft op grond van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [a-straat 1] in [Z] (hierna: de kantoorvilla) voor het kalenderjaar 2020 bij beschikking vastgesteld op € 1.729.000. In hetzelfde geschrift zijn ook aanslagen in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2020 aan belanghebbende bekendgemaakt. Het taxatieverslag bevat de primaire objectkenmerken, de toegepaste taxatiemethodiek (de huurwaardekapitalisatiemethode), de huurwaarde en de kapitalisatiefactor die zijn gebruikt voor de waardebepaling van de kantoorvilla. 2.2 Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de hiervoor in 2.1 vermelde beschikking en aanslagen. In bezwaar heeft belanghebbende met een beroep op artikel 40 van de Wet WOZ verzocht om stukken te verstrekken ter onderbouwing van de gehanteerde huurwaarde en kapitalisatiefactor. Dit betreft onder meer huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren inzake de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingspanden. 2.3 In de uitspraak op bezwaar zijn gegevens van een zestal vergelijkingspanden opgenomen: drie huurtransacties ter onderbouwing van de voor de waardebepaling gehanteerde huurwaarde en drie verkooptransacties ter onderbouwing van de daarbij gehanteerde kapitalisatiefactor. 2.4 De Rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard. 3 De oordelen van het Hof 3.1 Voor het Hof was, voor zover in cassatie van belang, in geschil of de heffingsambtenaar de toezendverplichting van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ heeft geschonden. 3.2 Het Hof heeft geoordeeld dat belanghebbende met haar verzoek om huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren inzake de door de heffingsambtenaar gehanteerde vergelijkingspanden een voldoende specifiek verzoek heeft gedaan tot het verstrekken van bepaalde gegevens die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de kantoorvilla. Aangezien de heffingsambtenaar die gegevens eerst in hoger beroep heeft verstrekt, is daarmee niet voldaan aan de verplichting als bedoeld in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, aldus het Hof. 4 Beoordeling van de klachten 4.1 De klachten keren zich tegen het hiervoor in 3.2 weergegeven oordeel van het Hof. 4.1.1 De tweede klacht betoogt dat de huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren niet van belang zijn om de juistheid van de waardebeschikking te kunnen controleren en daarmee te kunnen beoordelen of het zinvol is beroep in te stellen. De juistheid van de waardebeschikking kan immers worden beoordeeld op basis van gegevens die wel zijn verstrekt naar aanleiding van het verzoek van belanghebbende, aldus de klacht. 4.1.2 De tweede klacht komt verder erop neer dat van een schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ geen sprake is omdat de in hoger beroep overgelegde huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren geen gegevens zijn die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de kantoorvilla. 4.2 Bij de beoordeling van de klachten moet worden vooropgesteld dat de uitgangspunten vermeld in rechtsoverwegingen 5.2 tot en met 5.15 van het arrest van de Hoge Raad van 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297 (hierna: het arrest van 27 februari 2026) ook van toepassing zijn op een geval als dit, waarin het gaat om de waardevaststelling van een onroerende zaak die niet als woning is aan te merken (hierna: niet-woning). 4.3 Voor zover de tweede klacht betoogt dat belanghebbende in redelijkheid ook al in staat was om de vastgestelde waarde ter discussie te stellen met de informatie die haar reeds in bezwaar is verstrekt, faalt de klacht op de gronden vermeld in rechtsoverweging 5.8 van het arrest van 27 februari 2026. 4.4 Voor zover de tweede klacht betoogt dat de in hoger beroep overgelegde huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren geen gegevens zijn die ten grondslag liggen aan de vastgestelde waarde van de kantoorvilla, geldt het volgende. 4.4.1 Indien de heffingsambtenaar voor de waardevaststelling van een niet-woning gebruikmaakt van de huurwaardekapitalisatiemethode, behoren de gehanteerde huurwaarde en kapitalisatiefactor van die onroerende zaak tot de gegevens die aan de vaststelling van de waarde ten grondslag liggen in de zin van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. 4.4.2 Tot de in artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ bedoelde gegevens behoren bij gebruikmaking van die methode in ieder geval ook de huurwaarde en de kapitalisatiefactor van vergelijkingspanden, inclusief de daaraan ten grondslag liggende huur- en verkoopprijzen. Dat zijn immers gegevens die de heffingsambtenaar rechtstreeks heeft gebruikt voor het vaststellen van de waarde van de niet-woning. 4.4.3 Tot die gegevens behoren niet de bronnen waaraan de heffingsambtenaar de hiervoor in 4.4.2 bedoelde gegevens heeft ontleend. 4.5 Uit de stukken van het geding kan geen andere conclusie worden getrokken dan dat de huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren door de heffingsambtenaar niet rechtstreeks zijn gebruikt voor de vaststelling van de waarde van de kantoorvilla. Voor zover de heffingsambtenaar aan de huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren de huurwaarde en de kapitalisatiefactor van de kantoorvilla en de vergelijkingspanden heeft ontleend, moeten deze overeenkomsten en formulieren in dit geval als bronnen worden aangemerkt. Gelet op wat hiervoor in 4.4.3 is overwogen, was de heffingsambtenaar daarom niet verplicht om afschriften van de huurovereenkomsten en huurinlichtingenformulieren op verzoek aan belanghebbende toe te zenden. In zoverre slaagt de tweede klacht. 4.6 De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 5 Slotsom Gelet op wat hiervoor in 4.5 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen door de uitspraak van de Rechtbank te bevestigen. 6 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 7 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraak van het Hof, en - bevestigt de uitspraak van de Rechtbank. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026. ECLI:NL:GHARL:2023:8794. Vgl. HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297, rechtsoverweging 5.9.