Rechtspraak Hoge Raad 2026-01-30
ECLI:NL:HR:2026:125
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00082 Datum 30 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof Amsterdam van 20 december 2023, nummer 23-001422-22, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1981, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten R.J. Baumgardt, M.J. van Berlo en A.A. Boersma bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal P.M. Frielink heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof Amsterdam teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt onder meer over de verwerping door het hof van het verweer dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging van het onder 2 tenlastegelegde feit. Het voert daartoe onder meer aan dat de verdachte voor hetzelfde feit al eerder onherroepelijk is veroordeeld. De uitspraak van het hof (de zaak 26Douglasville) 2.2.1 Aan de verdachte is onder 2 tenlastegelegd dat: “hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht), - opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht), - gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht) - afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht), - zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht), - opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of - het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie).” 2.2.2 Het hof heeft het verweer waarop het cassatiemiddel doelt, als volgt samengevat en verworpen: “De verdediging heeft verzocht het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van de verdachte. Primair omdat sprake zou zijn van de vervolging voor een feit (deelneming aan een criminele organisatie) waarvoor de verdachte al eerder is vervolgd en inmiddels onherroepelijk veroordeeld, namelijk door de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van het onderzoek 26Sartell. De vervolging naar aanleiding van het onderzoek 26Douglasville is volgens de verdediging daarom in strijd met het bepaalde in artikel 68 van het Wetboek van Strafrecht (Sr). De verdediging heeft aan het verweer – samengevat – het volgende ten grondslag gelegd: (i) [verdachte] maakte deel uit van een criminele organisatie die zich bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne; (ii) die organisatie bestond in de kern uit [medeverdachte 10] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 13] , [medeverdachte 9] en hemzelf; (iii) [verdachte] is naar aanleiding van het onderzoek 26Sartell vervolgd voor deelneming aan deze criminele organisatie en onherroepelijk veroordeeld; (iv) [medeverdachte 13] heeft heel veel geld dat met de drugshandel is verdiend gestolen; (v) [medeverdachte 10] , [medeverdachte 12] , [medeverdachte 8] en [verdachte] hebben geprobeerd dat geld terug te halen wat, mede naar aanleiding van de liquidatie van [medeverdachte 12] (volgens [verdachte] in opdracht van [medeverdachte 13] ), resulteerde in (voorgenomen) geweld; (vi) dit is niet gedaan door een andere organisatie maar, in opdracht van [medeverdachte 10] , door (met name) [medeverdachte 8] 140 Sr) hij in of omstreeks de periode van 29 oktober 2018 tot en met 22 juni 2020, - te [plaats] en/of althans (elders) in Nederland; en/of - te [plaats] en/of op Mallorca en/of althans (elders) in Spanje; en/of - te [plaats] althans (elders) in Italië; heeft deelgenomen aan een organisatie, onder meer bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 10] en/of [medeverdachte 9] en/of [medeverdachte 14] en/of [medeverdachte 15] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten - (gewoonte)witwassen (artikel 420bis/ter Sr); en/of - misdrijven als bedoeld in artikel 10, derde, vierde en vijfde lid en/of 10a, eerste lid Opiumwet.” Tenlastelegging 26Douglasville Voor het gemak geeft het hof hieronder nogmaals de onderhavige tenlastelegging weer: “hij in de periode van 1 november 2019 tot en met 22 juni 2020 te [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] , [plaats] en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, bestaande uit verdachte, [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 4] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 6] , [medeverdachte 7] , [medeverdachte 8] , [medeverdachte 9] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] en/of een of meer andere personen, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten: - moord (artikel 289 Wetboek van Strafrecht), - opzettelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving (artikel 282 Wetboek van Strafrecht), - gijzeling (artikel 282a Wetboek van Strafrecht), - afpersing in vereniging, althans afpersing (artikel 317 jo. 312, tweede lid, onder 2, Wetboek van Strafrecht), - zware mishandeling met voorbedachten rade (artikel 302 jo. 303 Wetboek van Strafrecht), - opzetheling (artikel 416 Wetboek van Strafrecht) en/of - het voorhanden hebben van een of meer vuurwapens (artikel 26 jo. 55 Wet Wapens en Munitie)”. (...) Aard van de gedragingen Vastgesteld kan worden dat de gedragingen van de verdachte in de tenlasteleggingen niet nader zijn omschreven, anders geformuleerd: waar de deelneming door de verdachte uit heeft bestaan. Hiervan zal dus moeten blijken uit de bewijsmiddelen. Bij de beoordeling van de aard van de ‘gedraging van de verdachte’ is van belang dat het in dit geval niet uitsluitend gaat om een specifieke gedraging van de verdachte zelf, maar zijn vanwege de aard van de strafbaarstelling bij de beoordeling ook de ‘gedragingen’ van de criminele organisatie van belang. Dat zal nader worden toegelicht. Voor het bewijs voor deelname aan de criminele organisatie zal, gelet op het hiervoor weergegeven toetsingskader, moeten worden vastgesteld dat: (i) sprake is geweest van een organisatie; (ii) deze organisatie als oogmerk had het plegen van misdrijven; (iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie. Bij onderdeel (ii) geldt dat het niet noodzakelijk is dat de door de organisatie beoogde misdrijven al zijn gepleegd. Het is in beginsel zelfs niet relevant welk soort misdrijven door de organisatie wordt beoogd, als het maar gaat om misdrijven en niet om overtredingen. De beoogde misdrijven hoeven dan ook, zoals door de verdediging is benadrukt, niet nader te worden geconcretiseerd in de tenlastelegging. Dat betekent echter niet dat het Openbaar Ministerie er ook niet voor mag kiezen om de beoogde misdrijven te specificeren in de tenlastelegging om in zoverre het oogmerk van de ten laste gelegde criminele organisatie te begrenzen. De tenlastelegging krijgt dan een meer ‘accessoir karakter’. Het standpunt van de verdediging dat de wetsgeschiedenis zich hiertegen verzet, deelt het hof niet. Dat is niet uitdrukkelijk als bedoeling van de wetgever geformuleerd en bovendien in strijd met het volgende. Soms zal het Openbaar Ministerie namelijk moeten specificeren en dus begrenzen. Dat volgt om te beginnen uit de wettelijke systematiek, waar in aanvulling op de deelname aan de ‘algemene’ criminele organisatie (artike Bovendien vindt dit steun in de wijze waarop de overige strafrechtelijke verwijten, en de samenhang hiervan met de criminele organisatie, op de beide tenlasteleggingen zijn opgenomen. In het onderzoek 26Sartell is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij als medepleger (feit 1) cocaïne heeft ingevoerd en (feit 2) de invoer van verdovende middelen heeft voorbereid, waarna (feit 3) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van (onder meer) deze delicten. In het onderzoek 26Douglasville is aan [verdachte] verweten, samengevat, dat hij onder (feit 1) als medepleger verschillende geweldsdelicten heeft voorbereid, waarna (feit 2) de deelname aan de criminele organisatie is genoemd met het oogmerk van het plegen van wederom (onder meer) deze delicten. Dat [verdachte] van feit 1 door de rechtbank is vrijgesproken, is in dit verband voor de beoordeling niet van belang. Wel van belang is verder dat de ten laste gelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers aan de beide criminele organisaties weliswaar deels overeenkomen, maar niet dezelfde zijn of beter gezegd: behoorlijk verschillen. Dat een verdachte niet bekend hoeft te zijn met alle deelnemers van een organisatie, doet daar niet aan af. En de omstandigheid dat het bewijs voor de beide criminele organisaties in belangrijke mate uit dezelfde bron, te weten EncroChat-data, afkomstig is, is in het licht van de maatstaf die bij deze beoordeling wordt aangelegd evenmin relevant. Tussenconclusie Het voorgaande houdt samengevat in dat het Openbaar Ministerie een begrenzing mag aanbrengen in de vervolging voor deelneming aan een criminele organisatie door het oogmerk van die organisatie te beperken tot meer specifiek omschreven misdrijven. Dit staat onder omstandigheden een tweede vervolging voor deelneming aan (min of meer) dezelfde organisatie niet in de weg voor zover het oogmerk van die organisatie is beperkt tot andere specifiek omschreven misdrijven. Een andere uitleg zou tot de ongerijmde uitkomst leiden dat bij de vervolging van een verdachte voor de deelname aan een criminele organisatie, het door de organisatie gewijzigde oogmerk – tot uitdrukking komend in andersoortige strafbare feiten waarop het vizier werd gericht – niet meer betrokken zouden kunnen worden in een tweede vervolging, ook niet als die wijziging pas later bekend wordt, bijvoorbeeld nadat een encryptietelefoon is gekraakt. Deze uitkomst kan niet als juist worden aanvaard. Van deze omstandigheden is in dit geval sprake. Uit het voorgaande volgt immers dat de verdachte aanvankelijk slechts deelnemer was van een criminele organisatie die zich uitsluitend bezig hield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de inkomsten die daaruit voortvloeiden. In zoverre was het oogmerk van die organisatie enkel daar op gericht. Door twee bijzondere omstandigheden, te weten de diefstal van miljoenen drugsinkomsten en de liquidatie van één van de leden, is de organisatie zich ook gaan bezig houden met (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde een nieuw oogmerk op en daarmee samenhangend wezenlijk andere gedragingen van de organisatie en haar deelnemers, waaronder [verdachte] . En die gedragingen vonden plaats in een veel beperktere periode en met een grote groep andere deelnemers. In zoverre staan de gedragingen die waren gericht op de drugshandel en de gedragingen die waren gericht op het plegen van geweld niet in zodanig verband met elkaar dat moet worden gesproken van één feitencomplex. De conclusie is dan ook gerechtvaardigd dat de organisatie zozeer van karakter wijzigde dat gesproken moet worden van een andere organisatie in de zin van artikel 140 Sr. Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de juridische aard van de feiten en de aard van de gedragingen is het hof van oordeel dat de tenlastelegging in 26Douglasville niet hetzelfde feit, in de zin van artikel 68 Sr, betreft als opgenomen in de tenlastelegging Als de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheiden delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding.(B) De gedraging van de verdachte. Als de tenlasteleggingen niet dezelfde gedraging beschrijven, kan de mate van verschil tussen de gedragingen van belang zijn, zowel wat betreft de aard en de kennelijke strekking van de gedragingen als wat betreft de tijd waarop, de plaats waar en de omstandigheden waaronder zij zijn verricht.Uit de bewoordingen van het begrip ‘hetzelfde feit’ vloeit al voort dat de beantwoording van de vraag wat daaronder moet worden verstaan, mede wordt bepaald door de omstandigheden van het geval. Vuistregel is echter dat een aanzienlijk verschil in de juridische aard van de feiten en/of in de gedragingen tot de slotsom kan leiden dat geen sprake is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van artikel 68 Sr. (Vgl. HR 1 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM9102.) 2.6.1 Het hof heeft bij zijn oordeel over de vraag of de tenlastelegging in deze zaak – 26Douglasville – hetzelfde feit in de zin van artikel 68 Sr betreft als het feit dat is opgenomen in de tenlastelegging in de zaak 26Sartell, het volgende in aanmerking genomen.(i) De juridische aard van de beide tenlastegelegde feiten is grotendeels hetzelfde, maar er bestaan twee belangrijke verschillen. Ten eerste, het openbaar ministerie heeft in de zaak 26Sartell de tenlastelegging kennelijk mede – dat wil zeggen: wat betreft de daarin genoemde Opiumwetdelicten – toegesneden op artikel 11b Opiumwet, zodat de in die zaak tenlastegelegde criminele organisatie een naar zijn aard andersoortige criminele organisatie is dan de in de zaak 26Douglasville tenlastegelegde criminele organisatie. Daarnaast is er, gelet op de strafmaxima die op de feiten zijn gesteld, een belangrijk verschil in strafrechtelijke consequenties.(ii) Wat betreft de aard van de tenlastegelegde gedragingen is allereerst van belang dat de criminele organisatie in de zaak 26Sartell volgens de tenlastelegging een organisatie betreft die het plegen van (gewoonte)witwassen en Opiumwetdelicten tot oogmerk had, terwijl de tenlastelegging in de zaak 26Douglasville een organisatie betreft die het plegen van geweldsmisdrijven, opzetheling en het voorhanden hebben van vuurwapens tot oogmerk heeft. Daarin komt – in de aan het hof voorbehouden uitleg van de tenlastelegging – als de bedoeling van de opsteller van de tenlastelegging tot uitdrukking dat in de zaak 26Douglasville aan de verdachte deelneming aan een andersoortige criminele organisatie wordt verweten dan de criminele organisatie in de zaak 26Sartell.(iii) Daarnaast is wat betreft de aard van de tenlastegelegde gedragingen van belang dat de tenlastegelegde periodes, de pleegplaatsen en de groep van deelnemers van de tenlastegelegde criminele organisatie aanzienlijk verschillen. Deze verschillen moeten daarbij worden gezien tegen de achtergrond van de omstandigheden zoals die uit het onderzoek naar voren komen en die de inhoud van de onderscheiden tenlasteleggingen hebben bepaald. Deze omstandigheden houden in dat aanvankelijk sprake was van een criminele organisatie die zich uitsluitend bezighield met de grootschalige invoer van en handel in cocaïne en het witwassen van de inkomsten die daaruit voortvloeiden en dat het oogmerk van die organisatie alleen daarop was gericht (de organisatie waarop de zaak 26Sartell betrekking had). Door twee bijzondere omstandigheden, te weten de diefstal van miljoenen aan drugsinkomsten en de liquidatie van één van de leden, is de organisatie “het vizier gaan verleggen” en is deze zich ook gaan bezighouden met (de voorbereiding van) geweldsdelicten. Dit leverde een nie