Rechtspraak Hoge Raad 2026-08-07
ECLI:NL:HR:2026:1247
Art. 12 van het Protocol (nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie; art. 6:20 en art. 6:39 Wet IB 2001; vrijgesteld inkomen van een instelling van de Europese Unie in relatie tot de drempelbedragen voor persoonsgebonden aftrek. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/02814 Datum 7 augustus 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen de STAATSSECRETARIS VAN FINANCIËN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 25 juni 2024, nrs. 23/9 en 23/17 , op het hoger beroep van belanghebbende en het hoger beroep van de Inspecteur tegen een uitspraak van de Rechtbank Noord-Holland (nr. HAA 21/3695) betreffende de aan belanghebbende voor het jaar 2017 opgelegde aanslag in de inkomstenbelasting. 1 Geding in cassatie Belanghebbende heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De Staatssecretaris, vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. 2 Uitgangspunten in cassatie 2.1 Belanghebbende heeft in het jaar 2017 een pensioenuitkering ontvangen van een instelling van de Europese Unie, te weten de Europese Commissie. Belanghebbende woonde in dat jaar in Nederland. Op grond van artikel 12 van het Protocol (Nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: het Protocol) is die pensioenuitkering (hierna: de pensioenuitkering) vrijgesteld van nationale belastingheffing. 2.2 Belanghebbende heeft in zijn aangifte voor de inkomstenbelasting voor het jaar 2017 (hierna: de aangifte) de pensioenuitkering aangemerkt als vrijgesteld inkomen. 2.3 De Inspecteur is bij het vaststellen van de aanslag in de inkomstenbelasting voor het jaar 2017 (hierna: de aanslag) afgeweken van de aangifte. Daarbij heeft hij de pensioenuitkering in aanmerking genomen bij de berekening van het drempelbedrag voor de persoonsgebonden aftrek (specifieke zorgkosten en giften). 3 De oordelen van het Hof 3.1 Voor zover in cassatie nog van belang, was voor het Hof in geschil of bij de berekening van het drempelbedrag voor zowel de aftrek wegens uitgaven van specifieke zorgkosten als de giftenaftrek de pensioenuitkering in aanmerking dient te worden genomen. 3.2 Het Hof heeft die vraag bevestigend beantwoord. De mogelijkheid specifieke zorgkosten en giften voor zover die de desbetreffende drempel te boven gaan in aftrek te brengen, maakt geen deel uit van de tariefstructuur van de inkomstenbelasting, maar vormt een belastingvoordeel/subsidie voor een specifieke groep belastingplichtigen, waarvoor de hoogte van het inkomen een voorwaarde is die naar het oordeel van het Hof op nietdiscriminerende wijze geldt zowel voor de belastingplichtigen met een vrijgesteld pensioen (zoals belanghebbende) als andere belastingplichtigen. Het negeren van de pensioenuitkering bij het bepalen van de desbetreffende drempel zou neerkomen op een voorkeursbehandeling van (voormalige) ambtenaren van de Europese Unie en dat schrijft artikel 12 van het Protocol niet voor. Ter onderbouwing van dit oordeel wijst het Hof op het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen van 14 oktober 1999, Vander Zwalmen en Massart, C-229/98, ECLI:EU:C:1999:501, punt 25. Het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 5 juli 2012, Bourgès-Maunoury en Heintz, C-558/10, ECLI:EU:C:2012:418 (hierna: het arrest Bourgès-Maunoury) doet aan deze oordelen niet af, aldus het Hof. 4 Beoordeling van de klachten 4.1 Belanghebbende komt met diverse klachten op tegen de hiervoor in 3.2 weergegeven oordelen van het Hof. 4.2 Anders dan belanghebbende bepleit, kan naar het oordeel van de Hoge Raad geen redelijke twijfel erover bestaan dat van nationale belastingheffing vrijgesteld EU-inkomen in aanmerking mag worden genomen als deel van het verzamelinkomen dat de grondslag vormt voor het drempelbedrag voor de persoonsgebonden aftrek. Het arrest BourgèsMaunoury, waarop belanghebbende een beroep heeft gedaan, doet aan dit oordeel niet af. In dat arrest was de vraag aan de orde of bepaalde uitkeringen die de belanghebbenden hadden ontvangen als voormalige ambtenaren van de EU in aanmerking mochten worden genomen bij het bepalen van de bovengrens van een Franse solidariteitsbelasting op het vermogen. Volgens het Hof van Justitie moest deze vraag ontkennend worden beantwoord, aangezien het in aanmerking nemen van de desbetreffende uitkeringen tot gevolg zou hebben dat de door de EU aan haar ambtenaren of personeelsleden betaalde inkomsten indirect zouden worden belast met nationale belastingheffing. Van een dergelijke situatie is in dit geval geen sprake. Met de pensioenuitkering van belanghebbende wordt immers slechts rekening gehouden bij het bepalen van de omvang van een belastingvoordeel (persoonsgebonden aftrek). Van strijdigheid met artikel 12 van het Protocol is dus geen sprake. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen hierover aan het Hof van Justitie, zoals door belanghebbende is verzocht. De klachten falen in zoverre. 4.3 De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 5 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 6 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 7 augustus 2026. ECLI:NL:GHAMS:2024:2285. Protocol (Nr. 7) betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, Publicatieblad Nr. C 202 van 07/06/2016, blz. 266-272. Vgl. HR 4 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BP2997, rechtsoverweging 3.5.4. Vgl. HvJ 14 oktober 1999, Vander Zwalmen en Massart, C-229/98, ECLI:EU:C:1999:501, punt 25 e.v., en HvJ 21 mei 2015, Pazdziej, C-349/14, ECLI:EU:C:2015:338, punt 28 tot en met 30.