Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-27
ECLI:NL:HR:2026:121
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,811 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:121 text/xml public 2026-03-06T10:03:46 2026-01-26 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-27 23/04788 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1314 In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:3975 Rechtspraak.nl RvdW 2026/282 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:121 text/html public 2026-01-27T10:56:09 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:121 Hoge Raad , 27-01-2026 / 23/04788 Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen bewerken en verwerken van cocaïne. Motivering schatting w.v.v. 1. Berekeningsmethode. Kon hof het wederrechtelijk voordeel schatten door middel van concrete berekeningsmethode, nu daarvoor geen specifieke gegevens beschikbaar waren? 2. Ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Had hof zijn beslissing nader moeten motiveren, gelet op groot verschil tussen vordering AG in hoger beroep en toerekening door hof van geschat voordeel aan betrokkene? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04655 P, 23/04656 P en 23/04662 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04788 P Datum 27 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001932-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 245.844. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 240.844 bedraagt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:121 text/xml public 2026-03-06T10:03:46 2026-01-26 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-27 23/04788 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1314 In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:3975 Rechtspraak.nl RvdW 2026/282 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:121 text/html public 2026-01-27T10:56:09 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:121 Hoge Raad , 27-01-2026 / 23/04788 Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen bewerken en verwerken van cocaïne. Motivering schatting w.v.v. 1. Berekeningsmethode. Kon hof het wederrechtelijk voordeel schatten door middel van concrete berekeningsmethode, nu daarvoor geen specifieke gegevens beschikbaar waren? 2. Ontoelaatbare verrassingsbeslissing. Had hof zijn beslissing nader moeten motiveren, gelet op groot verschil tussen vordering AG in hoger beroep en toerekening door hof van geschat voordeel aan betrokkene? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04655 P, 23/04656 P en 23/04662 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04788 P Datum 27 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001932-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1993, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat J. Boksem bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Beoordeling van het tweede cassatiemiddel 3.1 Het cassatiemiddel klaagt dat in de cassatiefase de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden omdat de stukken te laat door het hof zijn ingezonden. 3.2 Het cassatiemiddel is gegrond. Bovendien doet de Hoge Raad uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Een en ander brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 EVRM is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 245.844. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 240.844 bedraagt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 .