Rechtspraak Hoge Raad 2026-07-14
ECLI:NL:HR:2026:1192
Verkoop van cocaïne, art. 2.B Opiumwet. Vordering tot wijziging van tll. in eerste aanleg door uitbreiding van pleegperiode, art. 313 Sv. Is sprake van “hetzelfde feit” a.b.i. art. 313 Sv? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2011:BM9102 t.a.v. beoordelingskader m.b.t. “hetzelfde feit” a.b.i. art. 68 Sr en art. 313 Sv. Hof heeft over de in e.a. gewijzigde tll. geoordeeld dat “door enkele uitbreiding van periode waarin verdachte in cocaïne heeft gehandeld, juridische aard noch gedraging van verdachte zodanig is gewijzigd dat daardoor geen sprake meer zou zijn van hetzelfde feit a.b.i. art. 68 Sr”. Dat oordeel getuigt in het licht van wat hiervoor is vooropgesteld van onjuiste rechtsopvatting. Daarbij is van belang dat uitbreiding van die periode (van ongeveer 13 dagen naar ongeveer 1 jaar) tot gevolg heeft gehad dat tll. mede ziet op afzonderlijke strafbare gedragingen van verdachte (bestaande uit meerdere drugsverkopen gedurende periode van meer dan 11 maanden) die buiten bereik van oorspronkelijke tll. vielen. Volgt (partiële) vernietiging en terugwijzing. CAG: anders. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/00506 Datum 14 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 8 februari 2024, nummer 20-000932-23, in de strafzaak tegen [verdachte] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben de advocaten J.L. L’Homme en O.F. Qane bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel ziet op het in de zaak met parketnummer 03/720987-18 onder 4 tenlastegelegde. Het klaagt over de verwerping door het hof van het verweer dat de rechtbank de vordering tot wijziging van de tenlastelegging met betrekking tot dat feit ten onrechte heeft toegewezen. Procesgang in eerste aanleg en in hoger beroep 2.2.1 Aan de verdachte is bij inleidende dagvaarding in de zaak met parketnummer 03/72098718 onder 4 tenlastegelegd dat: “hij in of omstreeks de periode van 30 mei 2018 tot en met 11 juni 2018 in de gemeente [plaats] en/of in de gemeente [plaats] , in elk geval in het arrondissement [plaats] , tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad, een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I.” 2.2.2 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting van de rechtbank van 8 maart 2023 heeft de officier van justitie op grond van artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) gevorderd dat de tenlastelegging wordt gewijzigd. Nadat de raadsman van de verdachte zich had verzet tegen toewijzing van de vordering, heeft de rechtbank op die terechtzitting de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegewezen. Deze wijziging houdt, voor zover hier van belang, in dat de onder 2.2.1 weergegeven periode van ongeveer dertien dagen waarin de tenlastegelegde feiten zouden zijn gepleegd is verruimd tot “de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018”. 2.2.3 In hoger beroep heeft het hof op grondslag van de in eerste aanleg gewijzigde tenlastelegging beraadslaagd en beslist. Het hof heeft, kort gezegd, bewezenverklaard dat de verdachte in de periode van 11 juni 2017 tot en met 11 juni 2018 opzettelijk cocaïne heeft verkocht en verstrekt. De bewijsvoering, zoals weergegeven in de conclusie van de advocaat-generaal onder 2.2, houdt onder meer in dat meerdere afnemers in de gehele bewezenverklaarde periode frequent cocaïne bij de verdachte kochten. 2.2.4 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman daar het woord gevoerd overeenkomstig de bij de stukken gevoegde pleitnota. Deze pleitnota houdt in: “Wijziging tenlastelegging 1. De verdediging stelt zich op het standpunt dat de rechtbank de vordering tot wijziging van de tenlastelegging in de zaak met parketnummer 03/720987-18 ten onrechte heeft toegewezen. Die vordering hield verband met het vierde ten laste gelegde feit, te weten – kort gezegd – de handel in cocaïne. In het bijzonder zag de vordering op het uitbreiden van de ten laste gelegde periode: van minder dan twee weken naar een periode van een jaar. 2. De verdediging blijft bij haar standpunt dat deze wijziging een aanzienlijk verschil oplevert in de gedragingen, welk verschil tot de slotsom leidt dat geen sprake meer is van ‘hetzelfde feit’ in de zin van art. 68 Sr. Hoewel de uitbreiding van de periode dezelfde juridische kwalificatie heeft, is naar ons oordeel sprake van onvoldoende samenhang tussen de verweten gedragingen. Hierbij is van belang de aard en strekking van de gedragingen en de tijd, plaats en omstandigheden waaronder zij zijn verricht. Bij voortdurende delicten kan gesteld worden dat sprake is van hetzelfde feitencomplex, denk aan vrijheidsberoving of het voorhanden hebben van verdovende middelen. Het dealen van drugs is niet aan te merken als voortdurend delict. Hiervoor moet immers telkens een aparte handeling plaatsvinden waarbij die handelingen vaak ook op verschillende plaatsen worden verricht. 3. Door de uitbreiding van de periode voor de duur van een jaar wordt het feitencomplex aangevuld met wezenlijk andere feitelijke handelingen die in een te ver verwijderd verband staan van de oude ten laste gelegde handelingen (van twee weken).” 2.2.5 Het hof heeft het aangevoerde als volgt verworpen: “Het hof stelt het volgende voorop. Bij de beoordeling van de vraag of sprake is van “hetzelfde feit”, dient de rechter in de situatie waarop art. 68 Sr ziet de in beide tenlasteleggingen omschreven verwijten, en in de situatie waarop art. 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten te vergelijken. Bij die toetsing dienen de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren te worden betrokken. (A) De juridische aard van de feiten. Indien de tenlastegelegde feiten niet onder dezelfde delictsomschrijving vallen, kan de mate van verschil tussen de strafbare feiten van belang zijn, in het bijzonder wat betreft (i) de rechtsgoederen ter bescherming waarvan de onderscheidene delictsomschrijvingen strekken, en (ii) de strafmaxima die op de onderscheiden feiten zijn gesteld, in welke strafmaxima onder meer tot uitdrukking komt de aard van het verwijt en de kwalificatie als misdrijf dan wel overtreding. (B) De gedraging van de verdachte. Het hof is gelet op voormeld beoordelingskader van oordeel dat door de enkele uitbreiding van de periode waarin verdachte in cocaïne heeft gehandeld, de juridische aard noch de gedraging van de verdachte zodanig is gewijzigd dat daardoor geen sprake meer zou zijn van hetzelfde feit als bedoeld in artikel 68 Sr. Gelet hierop heeft de rechtbank op juiste gronden de vordering tot wijziging van de tenlastelegging toegestaan en verwerpt het hof het andersluidende standpunt van de verdediging.” Juridisch kader 2.3 Bij de beoordeling of sprake is van ‘hetzelfde feit’, moet de rechter in de situatie waarop artikel 313 Sv ziet de in de tenlastelegging en de in de vordering tot wijziging van de tenlastelegging omschreven verwijten vergelijken. Bij die toetsing moeten de volgende gegevens als relevante vergelijkingsfactoren worden betrokken. (A) De juridische aard van de feiten.