Rechtspraak Hoge Raad 2026-07-07
ECLI:NL:HR:2026:1191
Langdurig seksueel misbruik van 8-jarige/15-jarige dochter door vader (Filipijnse nationaliteit) in Dubai en [plaats], art. 244 (oud), 245 (oud) en 247 (oud) jo. 248.2 (oud) Sr. Rechtsmacht, art. 7 (oud) en 86b Sr. Rijst uit stukken ernstig en rechtstreeks vermoeden dat OM n-o is in vervolging van verdachte v.zv. tlgd. feiten in Verenigde Arabische Emiraten zijn begaan omdat Nederland in zoverre geen rechtsmacht heeft? HR herhaalt relevante overwegingen uit HR:2008:BC3766 over gevallen waarin rechter in vonnis of arrest blijk moet geven van onderzoek naar geldigheid van dagvaarding, zijn bevoegdheid tot kennisneming van tlgd. feit, ontvankelijkheid van OM in vervolging en bestaan van redenen voor schorsing van vervolging. Opvatting dat voor toepassing van art. 7.3 Sr slechts bepalend is of vreemdeling t.t.v. tlgd. feit vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft, is onjuist. Uit wetsgeschiedenis bij art. 7.3 en 86b Sr volgt dat vreemdeling vaste woon- of verblijfplaats in Nederland a.b.i. art. 7.3 Sr heeft als hij op moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan ten minste 5 jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft a.b.i. art. 86b Sr. Volgens p-v van tz. in hoger beroep is zaak daar behandeld in aanwezigheid van verdachte en zijn raadsvrouw. Uit stukken blijkt niet dat daar door verdediging verweer is gevoerd dat OM n-o moet worden verklaard in vervolging v.zv. tlgd. feiten in Verenigde Arabische Emiraten zijn begaan. Zo’n verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat beoordeling daarvan onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Ook doet zich niet geval voor dat uit stukken (en dus zonder nader onderzoek van feitelijke aard) ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat OM n-o is in vervolging. Volgt verwerping. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 24/01934 Datum 7 juli 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 13 mei 2024, nummer 20-001573-23, in de strafzaak tegen [verdachte], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970, hierna: de verdachte. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze heeft de advocaat H.M.W. Daamen bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf, tot vermindering daarvan naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. De raadsman van de verdachte heeft daarop schriftelijk gereageerd. 2 Beoordeling van het eerste cassatiemiddel 2.1 Het cassatiemiddel klaagt over het oordeel van het hof dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in de vervolging van de verdachte voor zover de tenlastegelegde feiten in de Verenigde Arabische Emiraten zijn begaan. Het voert daartoe aan dat uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is omdat Nederland in zoverre geen rechtsmacht heeft. 2.2.1 Aan de verdachte is tenlastegelegd dat: “1. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, een of meer handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of de anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 2. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en/of Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina en/of anus van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of zijn vinger(s) tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 3. hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2022 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en/of [plaats], met zijn kind [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, een of meer ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borst(en) van die [slachtoffer] en/of het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en/of het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en/of het kussen van die [slachtoffer] en/of het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer].” 2.2.2 Daarvan is bewezenverklaard dat: “1. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 10 april 2018 te Dubai, de Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind, [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]2006, die toen de leeftijd van twaalf jaren nog niet had bereikt, handelingen heeft gepleegd, die bestonden uit of mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 2. hij in de periode van 11 april 2018 tot en met 21 juni 2021 te [plaats] en Dubai, Verenigde Arabische Emiraten, met zijn kind [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]2006, die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en zijn vingers tussen de schaamlippen van die [slachtoffer] geduwd; 3. hij in de periode van 1 januari 2015 tot en met 21 juni 2021 te Dubai, Verenigde Arabische Emiraten en [plaats], met zijn kind [slachtoffer], geboren op [geboortedatum]2006, die toen de leeftijd van zestien jaren nog niet had bereikt, telkens buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, te weten het betasten met de mond en handen van de borsten van die [slachtoffer] en het betasten van de vagina van die [slachtoffer] en het trekken aan de schaamlippen van die [slachtoffer] en het kussen van die [slachtoffer] en het laten betasten van zijn, verdachtes, penis door die [slachtoffer].” 2.2.3 Het arrest van het hof houdt verder onder meer in: “Toepasselijke wettelijke voorschriften De beslissing is gegrond op de artikelen 6, 7, 57, 244, 245, 247 en 248 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.” 2.3 Op grond van artikel 348 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) moet de rechter onderzoek doen naar de geldigheid van de dagvaarding, zijn bevoegdheid tot kennisneming van het tenlastegelegde feit, de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging en het bestaan van redenen voor schorsing van de vervolging. Uit het vonnis of arrest hoeft echter alleen dan te blijken dat de rechter dit onderzoek heeft verricht, als (a) op grond van artikel 349 lid 1 Sv de nietigheid van de dagvaarding, de onbevoegdheid van de rechter, de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging of de schorsing van de vervolging wordt uitgesproken, omdat zo’n beslissing op grond van artikel 359 lid 2, eerste volzin, Sv moet worden gemotiveerd; (b) sprake is van een door of namens de verdachte uitdrukkelijk voorgedragen verweer, maar het hof in strijd met dat verweer artikel 349 lid 1 Sv niet toepast, omdat op grond van artikel 358 lid 3 Sv in het vonnis of arrest een beslissing moet worden gegeven naar aanleiding van zo’n verweer en die beslissing ook op grond van artikel 359 lid 2, eerste volzin, Sv moet worden gemotiveerd; (c) de beslissing afwijkt van een door het openbaar ministerie uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over een onderwerp als bedoeld in artikel 348 Sv, omdat op grond van artikel 359 lid 2, tweede volzin, Sv in het vonnis of het arrest in het bijzonder de redenen moeten worden gegeven die daartoe hebben geleid; (d) uit de stukken van het geding het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat de dagvaarding nietig, de rechter onbevoegd of het openbaar ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk is dan wel redenen voor schorsing van de vervolging bestaan, en niet zo’n beslissing wordt gegeven. (Vgl. HR 29 april 2008, ECLI:NL:HR:2008:BC3766, rechtsoverweging 4.4.) 2.4.1 Artikel 7 (oud) van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) luidt: “1. De Nederlandse strafwet is toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt aan een feit dat door de Nederlandse strafwet als misdrijf wordt beschouwd en waarop door de wet van het land waar het begaan is, straf is gesteld. 2. De Nederlandse strafwet is voorts toepasselijk op de Nederlander die zich buiten Nederland schuldig maakt: (...) c. aan een van de misdrijven omschreven in de artikelen 240b en 242 tot en met 250; (...) 3. Met een Nederlander wordt voor de toepassing van het eerste en het tweede lid, onder b tot en met e, gelijkgesteld de vreemdeling die na het plegen van het feit Nederlander wordt alsmede, voor de toepassing van het eerste en tweede lid, de vreemdeling die in Nederland een vaste woon- of verblijfplaats heeft.” 2.4.2 Artikel 86b Sr luidt: “Voor de toepassing van Titel I van dit Boek wordt onder het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland verstaan het rechtmatig verblijven in Nederland gedurende een onafgebroken periode van vijf jaar of langer.” 2.4.3 Artikel 7 lid 3 en 86b Sr zijn ingevoerd bij de Wet van 27 november 2013 tot wijziging van het Wetboek van Strafrecht in verband met de herziening van de regels over werking van de strafwet buiten Nederland (herziening regels betreffende extraterritoriale rechtsmacht in strafzaken), Stb. 2013, 484. De memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat tot deze wet heeft geleid houdt onder meer in: “Met betrekking tot het voorgestelde artikel 86b Sr zij nog benadrukt dat de daarin opgenomen omschrijving voor de toepasselijkheid van de strafwet buiten Nederland een autonome betekenis wil geven van het hebben van een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland. Of de vreemdeling op grond van andere regelgeving geacht wordt een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland te hebben doet derhalve niet ter zake. En dat in dit kader gesproken wordt van een ingezetene wil evenmin zeggen dat betrokkene voor de toepassing van de strafwet buiten Nederland ook als ingezetene heeft te gelden als hij volgens die regelgeving als ingezetene wordt aangemerkt. Bepalend is of betrokkene op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan aan de voorwaarden van artikel 86b Sr voldoet.” (Kamerstukken II 2012/13, 33572, nr. 3, p. 15.) 2.5.1 Het cassatiemiddel berust onder meer op de opvatting dat voor de toepassing van artikel 7 lid 3 Sr slechts bepalend is of de vreemdeling ten tijde van het tenlastegelegde feit een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland heeft. 2.5.2 Uit de onder 2.4.3 weergegeven wetsgeschiedenis volgt dat een vreemdeling een vaste woon- of verblijfplaats in Nederland als bedoeld in artikel 7 lid 3 Sr heeft als hij op het moment waarop wordt beslist tot vervolging over te gaan ten minste vijf jaren onafgebroken rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 86b Sr. De opvatting waarop het cassatiemiddel mede berust, is dus onjuist. 2.6 Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep is de zaak daar behandeld in aanwezigheid van de verdachte en zijn raadsvrouw. Uit de stukken blijkt niet dat daar door de verdediging het verweer is gevoerd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de vervolging voor zover de tenlastegelegde feiten in de Verenigde Arabische Emiraten zijn begaan. Zo’n verweer kan niet voor het eerst in cassatie worden gevoerd, omdat de beoordeling daarvan een onderzoek van feitelijke aard zou vergen. Daarvoor is in cassatie geen plaats. Ook doet zich niet het geval voor dat uit de stukken – en dus zonder nader onderzoek van feitelijke aard – het ernstig en rechtstreeks vermoeden rijst dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk is in de vervolging. 2.7 Het cassatiemiddel faalt. 3 Beoordeling van de overige cassatiemiddelen De Hoge Raad heeft ook de overige klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat ook deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 4 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf van negen jaren. 5 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf; - vermindert deze in die zin dat deze acht jaren en elf maanden beloopt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren T. Kooijmans en C.N. Dalebout, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 7 juli 2026 .