Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-27
ECLI:NL:HR:2026:118
Strafrecht
Artikel 81 RO-zaken
1,659 tokens
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:118 text/xml public 2026-03-06T10:03:43 2026-01-26 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-27 23/04655 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:3976 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1316 Rechtspraak.nl RvdW 2026/279 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:118 text/html public 2026-01-26T16:37:30 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:118 Hoge Raad , 27-01-2026 / 23/04655 Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen bewerken en verwerken van cocaïne. In eerste aanleg is ontnemingsvordering afgewezen. Toerekening w.v.v. in geval van meerdere daders. Verweer dat het toerekenen van voordeel o.b.v. percentages slechts “gokwerk” betreft. Kon hof oordelen dat 30% van totaal voordeel wordt toegerekend aan betrokkene en zijn medebetrokkenen en vervolgens 2/9 deel daarvan aan betrokkene toerekenen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04656 P, 23/04662 P en 23/04788 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04655 P Datum 27 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001928-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat K.R. Verkaart bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 245.844. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 240.844 bedraagt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 .
Volledig
ECLI:NL:HR:2026:118 text/xml public 2026-03-06T10:03:43 2026-01-26 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-27 23/04655 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Strafrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHSHE:2023:3976 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2025:1316 Rechtspraak.nl RvdW 2026/279 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:118 text/html public 2026-01-26T16:37:30 2026-01-27 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:118 Hoge Raad , 27-01-2026 / 23/04655 Profijtontneming, w.v.v. uit medeplegen bewerken en verwerken van cocaïne. In eerste aanleg is ontnemingsvordering afgewezen. Toerekening w.v.v. in geval van meerdere daders. Verweer dat het toerekenen van voordeel o.b.v. percentages slechts “gokwerk” betreft. Kon hof oordelen dat 30% van totaal voordeel wordt toegerekend aan betrokkene en zijn medebetrokkenen en vervolgens 2/9 deel daarvan aan betrokkene toerekenen? HR: art. 81.1 RO. Samenhang met 23/04656 P, 23/04662 P en 23/04788 P. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 23/04655 P Datum 27 januari 2026 ARREST op het beroep in cassatie tegen een uitspraak van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 23 november 2023, nummer 20-001928-21, op een vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten laste van [betrokkene] , geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2000, hierna: de betrokkene. 1 Procesverloop in cassatie Het beroep is ingesteld door de betrokkene. Namens deze heeft de advocaat K.R. Verkaart bij schriftuur een cassatiemiddel voorgesteld. De advocaat-generaal D.J.C. Aben heeft geconcludeerd tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend voor zover het betreft de hoogte van het ontnemingsbedrag, tot vermindering daarvan aan de hand van de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige. 2 Beoordeling van het cassatiemiddel De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Ambtshalve beoordeling van de uitspraak van het hof De Hoge Raad doet uitspraak nadat meer dan twee jaren zijn verstreken na het instellen van het cassatieberoep. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 lid 1 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden is overschreden. Dit moet leiden tot vermindering van de opgelegde betalingsverplichting van € 245.844. 4 Beslissing De Hoge Raad: - vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de hoogte van de opgelegde betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel; - vermindert het te betalen bedrag in die zin dat de hoogte daarvan € 240.844 bedraagt; - verwerpt het beroep voor het overige. Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en R. Kuiper, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2026 .