Rechtspraak Hoge Raad 2026-07-03
ECLI:NL:HR:2026:1159
Prejudiciële vragen (art. 392 Rv). Online gokken. Verbod om zonder vergunning gelegenheid te geven om via internet deel te nemen aan kansspelen; art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wet op de kansspelen (Wok). Deelnemers vorderen van exploitanten op diverse gronden vergoeding voor geleden verliezen. Prejudiciële vragen over eventuele nietigheid of vernietigbaarheid van overeenkomsten tussen deelnemers en zonder vergunning opererende exploitanten; art. 3:40 BW. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN CIVIELE KAMER Nummer 25/00202 en 25/00204 Datum 3 juli 2026 PREJUDICIËLE BESLISSING In de zaak van [deelnemer 1] , wonende te [woonplaats] , EISER in eerste aanleg, hierna: [deelnemer 1] , advocaten: T.E. Booms, B.I. Kraaipoel en A.C. van Schaick, tegen TSG INTERACTIVE GAMING EUROPE LIMITED, gevestigd te San Giljan, Malta, GEDAAGDE in eerste aanleg, hierna: TSG, advocaten: F.E. Vermeulen en B.F.L.M. Schim, en in de zaak van [deelnemer 2] , wonende te [woonplaats] , EISER in eerste aanleg, hierna: [deelnemer 2] , advocaten: T.E. Booms, B.I. Kraaipoel en A.C. van Schaick, tegen ELECTRAWORKS EUROPE LIMITED, gevestigd te Gzira, Malta, GEDAAGDE in eerste aanleg, hierna: Electraworks, advocaten: R.P.J.L. Tjittes, H. Boom en J.H.M. van Swaaij. 1 De prejudiciële procedure In de zaak 25/00202 Bij tussenvonnis in de zaak C/13/747113 / HA ZA 24-205 van 22 januari 2025 heeft de rechtbank Amsterdam op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. [deelnemer 1] en TSG hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben J.W. de Jong, namens de kansspelautoriteit, B.T.M. van der Wiel, D.A. van der Kooij, F. van Es, D.V.W. Hakhoff en N. Lgarah, namens Risepoint Limited, E.M. Tjon-En-Fa namens BML Group Limited, E.M. Tjon-En-Fa namens N1 Interactive Limited, en D. Rijpma namens [A] Advocaten op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen in de in de conclusie onder 9.2, 9.3 en 9.6 weergegeven zin. De advocaten van [deelnemer 1] en TSG hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. In de zaak 25/00204 Bij tussenvonnis in de zaak C/15/343871 / HA ZA 23-498 van 22 januari 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld. [deelnemer 2] en Electraworks hebben schriftelijke opmerkingen als bedoeld in art. 393 lid 1 Rv ingediend. Na daartoe desgevraagd in de gelegenheid te zijn gesteld, hebben J.W. de Jong, namens de kansspelautoriteit, B.T.M. van der Wiel, D.A. van der Kooij, F. van Es, D.V.W. Hakhoff en N. Lgarah, namens Risepoint Limited, E.M. Tjon-En-Fa namens BML Group Limited, E.M. Tjon-En-Fa namens N1 Interactive Limited, en D. Rijpma namens [A] Advocaten op de voet van art. 393 lid 2 Rv schriftelijke opmerkingen ingediend. De conclusie van de Advocaat-Generaal S.D. Lindenbergh strekt tot beantwoording van de prejudiciële vragen in de in de conclusie onder 9.2 en 9.3 voorgestelde zin. De advocaten van [deelnemer 2] en Electraworks hebben schriftelijk op die conclusie gereageerd. 2 Beantwoording van de prejudiciële vragen 2.1 Deze uitspraak gaat over de geldigheid van overeenkomsten met een online aanbieder van kansspelen die niet beschikt over een vergunning op grond van de Wet op de kansspelen (hierna: Wok). De rechtbank Amsterdam en de rechtbank Noord-Holland hebben hierover grotendeels gelijkluidende prejudiciële vragen gesteld. In de zaak 25/00202 2.2 Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak 25/00202 gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten: (i) TSG is aanbieder van online kansspelen, waaronder sinds 2012 Pokerstars. (ii) TSG is in 2011 opgericht in Malta en beschikt niet over een vergunning om in Nederland online kansspelen aan te bieden. (iii) In maart 2006 heeft [deelnemer 1] een account aangemaakt op de website van Pokerstars, die toen nog geëxploiteerd werd door een zustervennootschap van TSG. Daarmee is een overeenkomst tot stand gekomen op grond waarvan [deelnemer 1] via de website kon deelnemen aan kansspelen. Dat heeft hij gedaan tussen 2006 en 2021. Zijn account is daarna gesloten en de overeenkomst is daarmee beëindigd. (iv) Met het deelnemen aan deze kansspelen op de website Pokerstars heeft [deelnemer 1] een bedrag van USD 139.464,58 verloren (inzet minus opbrengsten). (v) [deelnemer 1] heeft bij brief van 26 april 2023 TSG gesommeerd om hem het verloren bedrag te voldoen als vergoeding voor schade, dan wel dit bedrag terug te betalen. TSG heeft niets betaald. 2.3 [deelnemer 1] vordert dat de rechtbank voor recht verklaart dat de kansspelovereenkomst die is gesloten tussen [deelnemer 1] en TSG nietig is, en/of de kansspelovereenkomst vernietigt, en TSG veroordeelt tot betaling aan [deelnemer 1] van USD 139.464,58, zijnde het verschil tussen de van hem ontvangen bedragen en de aan hem uitbetaalde bedragen. [deelnemer 1] heeft verder vorderingen ingesteld op grond van onrechtmatige daad, oneerlijke handelspraktijken en dwaling. 2.4 Bij vonnis van 12 juni 2024 heeft de rechtbank Amsterdam partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en over de door de rechtbank geformuleerde vragen. 2.5 Bij vonnis van 22 januari 2025 heeft de rechtbank Amsterdam op de voet van art. 392 Rv de volgende prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld: 1. Had de Wok aanvankelijk de strekking de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten? 2. Is de strekking – na aanvankelijk aanwezig geweest te zijn – verloren gegaan, onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen en/of gelet op het handhavingsbeleid van de kansspelautoriteit (als bedoeld in art. 33 Wok)? Moet hierbij een onderscheid worden gemaakt tussen aanbieders van kansspelen die op de ‘grijze lijst’ van de kansspelautoriteit stonden en andere aanbieders? 3. Is een kansspelovereenkomst tussen een in Nederland verblijvende consument en een aanbieder van kansspelen op internet die geen vergunning heeft in de zin van de Wok een nietige overeenkomst in de zin van art. 3:40 BW? 4. Maakt het voor de beantwoording van vraag 3 nog uit of de kansspelaanbieder voldeed aan de prioriteringscriteria van de kansspelautoriteit? 5. Indien het antwoord op vraag 3 bevestigend luidt, welke rechtsgevolgen heeft dat dan? Is een vordering tot terugbetaling van het geleden verlies op grond van onverschuldigde betaling toewijsbaar? 6. Is voor het beantwoorden van vorenstaande vragen van belang dat een kansspelaanbieder, zoals TSG, zijn diensten naar eigen zeggen beperkt tot het aanbieden aan spelers van een online mogelijkheid om tegen elkaar te spelen? En zo ja, heeft dat gevolgen voor hetgeen een speler als onverschuldigd betaald van de kansspelaanbieder kan terugvorderen? In de zaak 25/00204 2.6 Bij de beantwoording van de prejudiciële vragen in de zaak 25/00204 gaat de Hoge Raad uit van de volgende feiten: (i) [deelnemer 2] heeft in de periode 2 augustus 2020 tot en met 9 juli 2021 deelgenomen aan kansspelen (onder meer) via de website www.partycasino.com. Deze website werd tot 5 januari 2021 geëxploiteerd door ElectraWorks Limited, gevestigd te Gibraltar. Vanaf 5 januari 2021 heeft Electraworks de activiteiten, rechten en verplichtingen van ElectraWorks Limited overgenomen en voortgezet. (ii) Electraworks is gevestigd op Malta en beschikt daar over een vergunning om online kansspelen aan te bieden. Electraworks heeft geen vergunning om in Nederland online kansspelen aan te bieden als bedoeld in art. 1 Wok. (iii) Met het deelnemen aan deze kansspelen op www.partycasino.com heeft [deelnemer 2] een bedrag van € 135.137,-- verloren (inzet minus opbrengsten). (iv) [deelnemer 2] heeft Electraworks verzocht en gesommeerd om hem het verloren bedrag terug te betalen, vermeerderd met rente en kosten. Electraworks heeft dat geweigerd. 2.7 [deelnemer 2] vordert, te verklaren voor recht dat de kansspelovereenkomst die is gesloten tussen [deelnemer 2] en Electraworks nietig is en/of de kansspelovereenkomst te vernietigen, en Electraworks te veroordelen tot betaling van aan [deelnemer 2] van € 135.137,--, zijnde het verschil tussen de van hem ontvangen bedragen en de aan hem uitbetaalde bedragen. [deelnemer 2] heeft verder vorderingen ingesteld op grond van onrechtmatige daad, oneerlijke handelspraktijken en dwaling. 2.8 Bij vonnis van 12 juni 2024 heeft de rechtbank Noord-Holland partijen in de gelegenheid gesteld om zich uit te laten over het voornemen van de rechtbank om prejudiciële vragen aan de Hoge Raad te stellen en over de door de rechtbank geformuleerde vragen. 2.9 Bij vonnis van 22 januari 2025 heeft de rechtbank Noord-Holland op de voet van art. 392 Rv prejudiciële vragen aan de Hoge Raad gesteld, die gelijkluidend zijn aan de vragen 1-5 van de rechtbank Amsterdam (zie hiervoor in 2.5). 3 Beantwoording van de prejudiciële vragen 3.1.1 De prejudiciële vragen stellen de geldigheid aan de orde van overeenkomsten die online zijn aangegaan met een aanbieder van kansspelen die het verbod van art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok overtreedt. 3.1.2 Uit de art. 7A:1825-1828 BW volgt dat de overeenkomst tot deelneming aan een kansspel (‘spel en weddingschap’) slechts een beperkte werking heeft. Vorderingen uit zodanige overeenkomst kan de schuldeiser niet in rechte afdwingen (art. 7A:1825 BW). De verliezer die vrijwillig betaalt, kan het verlorene echter niet terugvorderen, behalve in geval van bedrog, list of oplichting van de kant van de winnaar (art. 7A:1828 BW). 3.1.3 Is met een vergunning op grond van de Wok gelegenheid gegeven voor het deelnemen aan een kansspel, dan geldt ingevolge art. 39 Wok voor de daarmee behaalde prijzen en premies niet de beperking uit art. 7A:1825 BW. De aanspraken daarop zijn derhalve in rechte afdwingbaar, met een vervaltermijn van één jaar (art. 38 Wok). Voor deze afdwingbaarheid van onder een vergunning toegelaten kansspelen is gekozen in het kader van de Nederlandse kansspelregulering, die vanouds niet wordt gekenmerkt door een categorisch verbod op kansspelen maar door het kanaliseren van de menselijke speelzucht naar een legaal aanbod (zie de conclusies van de Advocaat-Generaal onder 5.2-5.3 en 5.47). Dat kanaliseren van de menselijke speelzucht gold ook als centraal uitgangspunt bij de totstandkoming van de Wok, om zo voldoende spelersbescherming te kunnen bieden en uitwassen en misstanden te voorkomen. 3.1.4 Art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok verbiedt gelegenheid te geven om mee te dingen naar prijzen of premies, indien de aanwijzing van de winnaars geschiedt door enige kansbepaling waarop de deelnemers in het algemeen geen overwegende invloed kunnen uitoefenen. Het verbod geldt niet voor de aanbieder die daarvoor een vergunning ingevolge de Wok heeft, zo volgt uit het slot van die bepaling. 3.1.5 Doel en strekking van art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok nopen tot een ruime uitleg van het daar bedoelde ‘gelegenheid geven’. Hiermee strookt het om de bepaling aldus uit te leggen dat daaronder zowel feitelijke handelingen als rechtshandelingen kunnen vallen. Daaronder valt ook het aanbieden of sluiten van kansspelovereenkomsten als bedoeld in de prejudiciële vragen: overeenkomsten tot deelneming aan een kansspel en (raam)overeenkomsten die ertoe strekken het deelnemen aan een of meer kansspelen mogelijk te maken. 3.1.6 De Wok voorziet in toezicht op de naleving van deze wet en in bestuursrechtelijke handhaving door de kansspelautoriteit. Ook maakt de Wok strafrechtelijke handhaving mogelijk. Overtreding van het verbod in art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok om – kort gezegd – zonder vergunning gelegenheid te geven om aan kansspelen deel te nemen, is strafbaar gesteld in art. 36 Wok. De Wok bevat geen bepalingen over de civielrechtelijke gevolgen van overeenkomsten met een aanbieder die niet beschikt over een vergunning. 3.1.7 De bestuurlijke en politieke aandacht voor handhaving van de Wok is mede uitgegaan naar civielrechtelijk optreden van vergunninghouders en – in beperkte mate – deelnemers tegen illegale aanbieders van kansspelen, met name op grond van onrechtmatige daad; civielrechtelijk optreden door het inroepen van nietigheid van overeenkomsten met illegale aanbieders is daarbij echter niet aan de orde geweest (zie de conclusies van de Advocaat-Generaal onder 5.16, 5.17, 5.25, 5.26, 5.36 en 5.37). Nu de Wok niets bepaalt over civielrechtelijke gevolgen van schendingen van verbodsbepalingen, waaronder art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok, zullen die gevolgen moeten worden vastgesteld aan de hand van algemene civielrechtelijke leerstukken, zoals onrechtmatige daad, wilsgebreken en nietigheid of vernietigbaarheid in de zin van art. 3:40 BW. 3.2.1 Met betrekking tot de mogelijke gevolgen van overtreding van art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok spitsen de prejudiciële vragen zich toe op de eventuele nietigheid van met aanbieders van online kansspelen gesloten overeenkomsten in het licht van art. 3:40 BW. 3.2.2 Art. 3:40 BW luidt: 1. Een rechtshandeling die door inhoud of strekking in strijd is met de goede zeden of de openbare orde, is nietig. 2. Strijd met een dwingende wetsbepaling leidt tot nietigheid van de rechtshandeling, doch, indien de bepaling uitsluitend strekt ter bescherming van één der partijen bij een meerzijdige rechtshandeling, slechts tot vernietigbaarheid, een en ander voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit. 3. Het vorige lid heeft geen betrekking op wetsbepalingen die niet de strekking hebben de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten. 3.2.3 Het door een aanbieder van online kansspelen aangaan van een overeenkomst met een deelnemer kan in strijd zijn met art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok (zie hiervoor in 3.1.5), een dwingende wetsbepaling in de zin van art. 3:40 lid 2 BW. Dit brengt evenwel in verband met art. 3:40 lid 3 BW geen nietigheid of vernietigbaarheid mee, omdat – zoals hierna in 3.2.4-3.2.6 wordt toegelicht – art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok niet de strekking heeft om de geldigheid aan te tasten van daarmee strijdige rechtshandelingen. 3.2.4 Uit de tekst en het stelsel van de Wok kan niet worden afgeleid dat de Wok ertoe strekt de geldigheid aan te tasten van overeenkomsten die zijn gesloten met aanbieders van kansspelen die daarvoor niet de vereiste vergunning hebben. De Wok voorziet in bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties maar regelt niet de civielrechtelijke gevolgen van overtreding van de daarin voorkomende verbodsbepalingen (zie hiervoor in 3.1.6-3.1.7). Wel voorzien de art. 38-39 Wok in afdwingbaarheid en een vervaltermijn voor aanspraken uit kansspelen voor deelneming waaraan met vergunning ingevolge de Wok gelegenheid is gegeven (vgl. hiervoor in 3.1.2). Daaruit kan echter niet iets worden afgeleid met betrekking tot de civielrechtelijke gevolgen van de hiervoor bedoelde, in weerwil van het ontbreken van een vergunning gesloten, overeenkomsten. 3.2.5 De totstandkomingsgeschiedenis van de Wok bevat geen aanwijzing dat nietigheid of vernietigbaarheid zou zijn beoogd van met overtreding van art. 1 Wok aangegane overeenkomsten. Hetzelfde geldt voor de Loterijwet 1905 (oud), waarop door de wetgever met de Wok werd voortgebouwd. Wel oordeelde de Hoge Raad in 1918 over het in de Loterijwet 1905 (oud) opgenomen verbod op het verkopen van loten, dat een daarmee strijdige koopovereenkomst op grond van art. 1373 BW (oud) een ongeoorloofde oorzaak had en daarmee op grond van art. 1371 BW (oud) zonder rechtsgevolg bleef. Toen echter in 1964 de Wok tot stand werd gebracht, verbond de Hoge Raad aan overtreding van een wettelijk voorschrift dat het sluiten van bepaalde overeenkomsten verbiedt, niet langer zonder meer de nietigheid: dat was niet het geval als uit het voorschrift zelf of de strekking daarvan volgt dat aan overtreding dat gevolg niet is verbonden. In het licht van deze gewijzigde rechtspraak had het voor de hand gelegen dat indien de wetgever nietigheid of vernietigbaarheid zou hebben beoogd, daaraan in de tekst of de totstandkomingsgeschiedenis van de Wok aandacht zou zijn besteed. Dat is niet gebeurd, ook niet bij latere wijzingen van de Wok, zoals door de Wet kansspelen op afstand, waarmee het online aanbieden van kansspelen met vergunning mogelijk is gemaakt. 3.2.6 Ook art. 3:40 lid 1 BW leidt niet tot nietigheid van een overeenkomst die is aangegaan met een zonder vergunning opererende aanbieder van online kansspelen. Er is geen grond om aan te nemen dat overeenkomsten met een aanbieder van online kansspelen die in strijd handelt met dat verbod, reeds daardoor door inhoud of strekking in strijd zouden zijn met de openbare orde of de goede zeden. Daarbij is van belang dat het voor de inhoud van een door een speler aangegane overeenkomst geen verschil behoeft te maken of de aanbieder beschikt over een vergunning als bedoeld in art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok. Ook is van belang dat de Nederlandse kansspelregulering niet wordt gekenmerkt door een categorisch verbod op kansspelen (zie hiervoor in 3.1.3) en dat kansspelovereenkomsten niet op zichzelf ontoelaatbaar worden geacht. Verder worden weliswaar met het verbod om zonder vergunning online kansspelen aan te bieden gewichtige maatschappelijke belangen beschermd (zie hiervoor in 3.1.3), maar voorziet de Wok al uitdrukkelijk in sancties van strafrechtelijke en bestuursrechtelijke aard. Ten slotte valt niet in te zien dat door overtreding van het verbod fundamentele beginselen worden geschonden. 3.2.7 Uit het voorgaande volgt dat overeenkomsten die zijn aangegaan met een aanbieder van online kansspelen die handelt in strijd met het verbod van art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok, niet nietig of vernietigbaar zijn op grond van art. 3:40 BW. Dit laat onverlet dat onder omstandigheden zodanige overeenkomsten kunnen blootstaan aan vernietiging wegens een wilsgebrek of aanleiding kunnen geven tot een vordering uit onrechtmatige daad. De eerste vraag 3.3.1 De eerste vraag stelt aan de orde of de Wok aanvankelijk de strekking had de geldigheid aan te tasten van overeenkomsten die zijn aangegaan met een aanbieder van kansspelen die daarmee in strijd handelt met art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok. 3.3.2 Het antwoord op deze vraag is, zoals volgt uit hetgeen hiervoor in 3.2.3-3.2.7 is overwogen, dat de Wok van aanvang af niet de strekking heeft gehad de geldigheid aan te tasten van overeenkomsten die zijn aangegaan met een aanbieder van kansspelen die handelt in strijd met art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok. De tweede vraag 3.4.1 De tweede vraag luidt, kort gezegd, of de Wok inmiddels zijn aanvankelijke strekking heeft verloren. Deze vraag vooronderstelt bevestigende beantwoording van de eerste vraag. Het antwoord op de eerste vraag luidt echter ontkennend (zie hiervoor in 3.3.2). 3.4.2 De tweede vraag behoeft derhalve geen beantwoording. De derde vraag en de vierde vraag 3.5.1 De derde vraag luidt of een kansspelovereenkomst tussen een in Nederland verblijvende consument en een aanbieder van kansspelen op internet die geen vergunning heeft in de zin van de Wok een nietige overeenkomst is in de zin van art. 3:40 BW. 3.5.2 De vierde vraag stelt aan de orde of het voor de beantwoording van de derde vraag uitmaakt of de kansspelaanbieder voldeed aan de zogenoemde prioriteringscriteria van de kansspelautoriteit (zie voor deze criteria de conclusies van de Advocaat-Generaal onder 5.30-5.35). 3.5.3 Het antwoord op beide vragen luidt, gelet op hetgeen hiervoor in 3.2.7 is overwogen, ontkennend. De vijfde vraag 3.6.1 De vijfde vraag is gesteld voor het geval van bevestigende beantwoording van de derde vraag. De Hoge Raad beantwoordt de derde vraag echter ontkennend (zie hiervoor in 3.5.3). 3.6.2 De vijfde vraag behoeft daarom geen beantwoording. De zesde vraag 3.7.1 De zesde vraag is alleen gesteld in de zaak 25/00202. De vraag stelt, ten eerste, aan de orde of het voor de beantwoording van de andere vragen van belang is of een aanbieder van kansspelen zijn diensten naar eigen zeggen beperkt tot het aan spelers aanbieden van een online mogelijkheid om tegen elkaar te spelen. Voor het geval van een bevestigend antwoord stelt de zesde vraag, ten tweede, aan de orde of dit gevolgen heeft voor hetgeen een speler als onverschuldigd betaald van de kansspelaanbieder kan terugvorderen. 3.7.2 Indien een aanbieder van kansspelen zijn diensten beperkt tot het aan spelers aanbieden van een online mogelijkheid om tegen elkaar te spelen, geldt voor de tussen de spelers en deze aanbieder gesloten overeenkomsten die ertoe strekken het deelnemen aan een of meer kansspelen mogelijk te maken, hetzelfde als voor zodanige overeenkomsten met andere aanbieders van online kansspelen. 3.7.3 Het antwoord op het eerste gedeelte van de zesde vraag luidt derhalve ontkennend. Het tweede gedeelte van de zesde vraag behoeft daarom geen beantwoording. 4 Beslissing De Hoge Raad: in de zaak 25/00202: - beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.3.2, 3.4.2, 3.5.3, 3.6.2 en 3.7.3 weergegeven wijze; - begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van [deelnemer 1] en op € 1.800,-- aan de zijde van TSG; in de zaak 25/00204: - beantwoordt de vragen op de hiervoor in 3.3.2, 3.4.2, 3.5.3 en 3.6.2 weergegeven wijze; - begroot de kosten van deze procedure op de voet van art. 393 lid 10 Rv op € 1.800,-- aan de zijde van [deelnemer 2] en op € 1.800,-- aan de zijde van Electraworks. Deze beslissing is gegeven door de vicepresident M.J. Kroeze als voorzitter en de raadsheren C.E. du Perron, H.M. Wattendorff, A.E.B. ter Heide en F.R. Salomons, en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer F.R. Salomons op 3 juli 2026 . Rechtbank Amsterdam 12 juni 2024, ECLI:NL:RBAMS:2024:3469. Rechtbank Amsterdam 22 januari 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:369. Rechtbank Noord-Holland 12 juni 2024, ECLI:NL:RBNHO:2024:5808. Rechtbank Noord-Holland 22 januari 2025, ECLI:NL:RBNHO:2025:485. Kamerstukken II 1995/96, 24557, nr. 2, p. 3-4; zie ook HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4841, rov. 3.3.2. HR 18 februari 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR4841, rov. 3.3.2. HR 15 februari 1918, ECLI:NL:HR:1918:112. HR 11 mei 1951, ECLI:NL:HR:1951:AG1976. Wet van 20 februari 2019 tot wijziging van de Wet op de kansspelen, de Wet op de kansspelbelasting en enkele andere wetten in verband met het organiseren van kansspelen op afstand, Stb. 2019, 127. Vgl. HR 1 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU5609, rov. 4.4.