Rechtspraak Hoge Raad 2026-07-03
ECLI:NL:HR:2026:1140
Art. 40, lid 2, Wet WOZ; veroordeling proceskosten, ECLI:NL:HR:2025:106 HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/03403 Datum 3 juli 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE HUIZEN op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 23 juli 2024, nr. BK-ARN 23/2416 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland (nr. UTR 22/4574) betreffende een ten aanzien van belanghebbende gegeven beschikking op grond van de Wet waardering onroerende zaken en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen voor het jaar 2022. 1 Geding in cassatie Belanghebbende, vertegenwoordigd door G. Gieben, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. 2 Beoordeling van het middel 2.1 Het Hof heeft – in cassatie onbestreden – geoordeeld dat de heffingsambtenaar van de gemeente Huizen (hierna: de heffingsambtenaar) in strijd met artikel 40, lid 2, van de Wet waardering onroerende zaken (hierna: de Wet WOZ) heeft gehandeld, doordat de gegevensverstrekking “op (relatief beperkte) onderdelen” niet volledig is geweest. 2.2 Het Hof heeft de heffingsambtenaar niet veroordeeld in de proceskosten voor het geding voor het Hof en het geding voor de Rechtbank, en evenmin de heffingsambtenaar opgedragen het bij het Hof en de Rechtbank betaalde griffierecht aan belanghebbende te vergoeden. Het Hof heeft overwogen dat het aannemelijk acht dat de (relatief beperkte) schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet van doorslaggevende betekenis is geweest voor het instellen van beroep gelet op de in bezwaar en beroep aangevoerde argumenten tegen de waardebeschikking. Volgens het Hof moet daarom worden verondersteld dat belanghebbende ook beroep had ingesteld en kosten had gemaakt, wanneer de heffingsambtenaar artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ niet zou hebben geschonden. 2.3 Het middel richt zich tegen de hiervoor in 2.2 weergegeven oordelen van het Hof. Volgens het middel verbindt het Hof ten onrechte geen gevolg aan de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ. Het middel slaagt, aangezien een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ dient te leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. De Hoge Raad verwijst hiervoor naar rechtsoverwegingen 4.4.4 en 4.5.3 van zijn arrest van 24 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:106. De omstandigheid dat zonder de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ ook beroep en hoger beroep zouden zijn ingesteld, is niet een dergelijke bijzondere omstandigheid. De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat er nog andere omstandigheden zijn die het achterwege blijven van een proceskostenvergoeding kunnen rechtvaardigen. Het Hof had dus vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de heffingsambtenaar moeten veroordelen in de proceskosten. Het Hof had eveneens de heffingsambtenaar moeten opdragen aan belanghebbende het bij het Hof en bij de Rechtbank betaalde griffierecht te vergoeden. 2.4 Gelet op wat hiervoor in 2.3 is overwogen, kan de uitspraak van het Hof niet in stand blijven. De Hoge Raad kan de zaak afdoen. Aan belanghebbende dient alsnog een vergoeding van proceskosten en griffierecht te worden toegekend voor het geding voor het Hof en voor het geding voor de Rechtbank. 3 Proceskosten 3.1 Het College zal worden veroordeeld in de kosten van het geding in cassatie en de heffingsambtenaar in de kosten van het geding voor het Hof en van het geding voor de Rechtbank. 3.2 De Hoge Raad zal de vergoeding van de proceskosten ter zake van deze cassatieprocedure berekenen met inachtneming van de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm . Het geval van belanghebbende is namelijk niet aan te merken als een bijzonder geval als bedoeld in rechtsoverweging 3.5.2 van het arrest van de Hoge Raad van 17 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:46, aangezien volgens de gemachtigde van belanghebbende geen bewijs ervan kan worden geleverd dat haar bedrijfsmodel in het jaar 2024 niet voldoet aan de kenmerken zoals bedoeld in rechtsoverweging 3.5.1 van dat arrest. Aangezien dit arrest niet inhoudt dat de bestreden besluiten (de WOZ-beschikking en een aanslag in de onroerendezaakbelastingen) worden vernietigd of gewijzigd, zal hierbij de vermenigvuldigingsfactor 0,10 worden toegepast, zoals bedoeld in artikel 30a, lid 2, letter b, van de Wet WOZ. 4 Beslissing De Hoge Raad: - verklaart het beroep in cassatie gegrond, - vernietigt de uitspraken van het Hof en de Rechtbank, maar alleen voor zover deze het griffierecht en de proceskosten betreffen, - draagt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen op aan belanghebbende te vergoeden het griffierecht dat belanghebbende voor de behandeling van het beroep in cassatie heeft betaald van € 138, - draagt de heffingsambtenaar van de gemeente Huizen op aan belanghebbende te vergoeden het bij het Hof betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor het Hof van € 136 en het bij de Rechtbank betaalde griffierecht ter zake van de behandeling van de zaak voor de Rechtbank van € 50, - veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Huizen in de kosten van belanghebbende voor het geding in cassatie, vastgesteld op € 187 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand, en - veroordeelt de heffingsambtenaar van de gemeente Huizen in de kosten van belanghebbende voor het geding voor het Hof, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand en in de kosten van belanghebbende voor het geding voor de Rechtbank, vastgesteld op € 1.868 voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.T. Boerlage en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 3 juli 2026. ECLI:NL:GHARL:2024:4877. Wet van 20 december 2023 tot wijziging van de Wet waardering onroerende zaken en de Wet op de belasting van personenauto's en motorrijwielen 1992 in verband met het herwaarderen van de proceskostenvergoeding en vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn (Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm), Stb. 2023, 507.