Rechtspraak Hoge Raad 2026-06-30
ECLI:NL:HR:2026:1004
Cassatie in het belang van de wet. Afgewezen vordering tot tenuitvoerlegging van vervangende hechtenis bij vrijheidsbeperkende maatregel en verzoekschrift ex art. 530.2 jo. 537 Sv tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. Rb (enkelvoudige raadkamer) heeft in beschikking naar aanleiding van afgewezen tul vordering t.a.v. de aan vrijheidsbeperkende maatregel gekoppelde vervangende hechtenis (art. 6:6:20.1.b Sv) vergoeding van kosten voor rechtsbijstand van € 280 toegekend. Bestaat (wettelijke) grondslag voor vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, nu expliciete wettelijke regeling ontbreekt? HR heeft in HR:2013:BX5566 geoordeeld dat en waarom redelijke wetsuitleg meebrengt dat als (i) zaak is geëindigd in sepot, of als (ii) beklag a.b.i. art. 12 Sv niet gegrond is verklaard of (iii) zo’n beklag wel gegrond is verklaard maar zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of zonder dat toepassing is gegeven aan art. 9a Sr, het toekennen van vergoeding voor kosten van raadsman o.g.v. art. 591a.2 (oud) Sv (nu art. 530.2 Sv) in geen van deze 3 situaties is uitgesloten, zij het dat rechter daartoe slechts kan besluiten als en v.zv. naar zijn oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor toekenning van vergoeding voor kosten van raadsman. Hiervoor onder (i) tot en met (iii) bedoelde situaties kenmerken zich hierdoor dat betreffende strafzaak niet is geëindigd met niet-veroordelende einduitspraak a.b.i. art. 348 en 350 Sv maar toch aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door strafrechter zal volgen. Voor die situaties achtte HR het redelijk toepasselijkheid van art. 591a.2 (oud) Sv (nu art. 530.2 Sv) niet uit te sluiten. In dit geval gaat het om verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand i.v.m. het opstellen en indienen van verzoekschrift in procedure over vordering OvJ a.b.i. art. 6:6:20.1.b jo. 6:6:20.2 Sv tot tul van vervangende hechtenis o.g.v. verdenking van overtreding van een in strafzaak onherroepelijk opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. RC heeft deze vordering afgewezen en invrijheidstelling van betrokkene bevolen maar betrokkene is onherroepelijk veroordeeld voor feit waarvoor vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd. Het gaat hier daarom niet om situatie als hiervoor bedoeld. Art. 529.5 jo. 530.4 Sv voorziet in specifieke regeling met het oog op enkele bijzondere procedures waarin kosten voor rechtsbijstand wel voor vergoeding in aanmerking komen, zoals behandeling van vorderingen i.h.k.v. tul van TBS. Deze bijzondere procedures zijn, net als procedure in deze zaak en anders dan hiervoor bedoelde situaties, niet steeds gekoppeld aan strafzaak tegen betrokkene waarin zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid is of wordt vastgesteld. Procedure in deze zaak is echter niet in die specifieke regeling opgenomen. Het gaat rechtsvormende taak van HR te buiten deze regeling desondanks van overeenkomstige toepassing te achten op procedure die in deze zaak aan de orde is. Het eventueel voorzien in toepasselijkheid van deze regeling ligt op de weg van wetgever. Rb heeft geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat kosten voor rechtsbijstand niet o.g.v. art. 530 Sv kunnen worden gecompenseerd en dat er gronden van billijkheid zijn om aan betrokkene ook vergoeding toe te kennen voor kosten voor het opstellen en indienen van het o.g.v. art. 537 Sv ingediende verzoekschrift. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is dat oordeel onjuist. Volgt partiële vernietiging in het belang van de wet. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN STRAFKAMER Nummer 26/00504 CW Datum 30 juni 2026 ARREST op het beroep in cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden tegen een beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2022, RK-nummer 22/009456, in de zaak van [betrokkene], geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1984, hierna: de betrokkene. 1 De beschikking van de rechtbank Bij beschikking van 24 oktober 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:12288, heeft de rechtbank Rotterdam naar aanleiding van een verzoekschrift op grond van artikel 530 lid 2 in samenhang met artikel 537 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) tot toekenning van een vergoeding van kosten voor rechtsbijstand, die zijn gemaakt in verband met het opstellen en indienen van het verzoekschrift, aan de betrokkene een vergoeding van € 280 toegekend. 2 Het cassatieberoep De advocaat-generaal T.N.B.M. Spronken heeft beroep in cassatie in het belang van de wet ingesteld. De voordracht tot cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. De vordering strekt tot vernietiging van de beschikking van de rechtbank Rotterdam van 24 oktober 2022 in het belang der wet. 3 Het procesverloop en de beschikking van de rechtbank 3.1.1 Uit de stukken en het procesverloop zoals weergegeven in de vordering van de advocaat-generaal onder 3 blijkt onder meer dat de politierechter de betrokkene bij onherroepelijk vonnis van 13 februari 2020 heeft veroordeeld voor belaging en aan hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) heeft opgelegd. 3.1.2 Op 4 december 2021 is de betrokkene op grond van artikel 6:3:15 lid 1 in samenhang met artikel 6:3:14 lid 1, onder b, Sv aangehouden op verdenking van overtreding van de vrijheidsbeperkende maatregel. Op grond van artikel 6:6:20 lid 1, onder b, in samenhang met artikel 6:6:20 lid 2 Sv heeft de officier van justitie een vordering tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis bij de rechter-commissaris ingediend. Op 6 december 2021 heeft de rechter-commissaris deze vordering van de officier van justitie afgewezen en de invrijheidstelling van de betrokkene bevolen. 3.1.3 Op 10 mei 2022 heeft de betrokkene bij verzoekschrift verzocht om toekenning van een schadevergoeding van € 210 voor schade als gevolg van de (onterechte) vrijheidsbeneming en om toekenning van een schadevergoeding van € 280 voor kosten voor rechtsbijstand in verband met het opstellen en het indienen van het verzoekschrift. Bij beschikking van 24 oktober 2022 heeft de rechtbank ten aanzien van het “verzoek artikel 533 Sv” (de Hoge Raad begrijpt: artikel 537 Sv) aan de betrokkene ten laste van de Staat een vergoeding toegekend van € 210, en ten aanzien van het “verzoek artikel 530 Sv” aan de betrokkene uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend van € 280. De vordering tot cassatie in het belang van de wet van de advocaat-generaal heeft betrekking op de beslissing van de rechtbank op het verzoek tot toekenning van een schadevergoeding voor de kosten voor rechtsbijstand. 3.2 De rechtbank heeft over de toewijzing van het verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in verband met het opstellen en het indienen van het verzoekschrift overwogen: “Verzoek artikel 530 Sv Daarnaast is verzocht om vergoeding van de kosten voor het opstellen en indienen van het artikel 533 Sv-verzoekschrift. Op grond van artikel 530 Sv kan een gewezen verdachte in beginsel aanspraak maken op vergoeding van de te zijnen laste gekomen kosten voor de rechtsbijstand indien de zaak is geëindigd zonder oplegging van een straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr. Ingevolge artikel 530, vierde lid, Sv juncto artikel 529, vijfde lid, Sv is een en ander van overeenkomstige toepassing op in dit artikellid nader opgesomde rechtsgedingen. De rechtbank constateert dat de procedure als bedoeld in artikel 6:6:20 Sv niet in deze opsomming is opgenomen. De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013 (ECLI:NL:HR:2013:BX5566) evenwel geconcludeerd dat uit de wetsgeschiedenis niet kan worden afgeleid dat de wetgever heeft beoogd de mogelijkheid tot toekenning van een vergoeding als bedoeld in artikel 591a Sv (artikel 530 Sv) te binden aan strikte grenzen wat betreft de fase van het strafproces waarin de kosten van een raadsman in de geëindigde strafzaak zijn gemaakt of wat betreft de aard van de met die zaak rechtstreeks verband houdende juridische procedure. De wetgever heeft bij de totstandkoming van het voormalige artikel 14l Sr (artikel 6:6:20 Sv) voorts geen blijk gegeven van een bewuste keuze om de kosten die met rechtsbijstand in een op de voet van artikel 14l Sr (artikel 6:6:20 Sv) aangevangen procedure zijn gemoeid niet voor vergoeding in aanmerking te laten komen. Tegen deze achtergrond is er geen reden om aan te nemen dat de kosten voor rechtsbijstand niet op grond van artikel 530 Sv kunnen worden gecompenseerd. Dergelijke compensatie ligt naar het oordeel van de rechtbank in het verlengde van de toekenning van schadevergoeding en is in die zin ook te zien als een strafprocessuele tegenhanger van de materiële vergoeding voor de vrijheidsbeneming ter zake van een voorlopige tenuitvoerlegging. Voorts merkt de rechtbank op dat het schadeloosstellen van de verzoeker doorgaans niet kan worden bereikt wanneer het verzoek tot vergoeding van de kosten voor rechtsbijstand, gemaakt in verband met het opstellen, indienen en behandelen van het verzoekschrift zal worden afgewezen. In dat geval komen de kosten voor het indienen van het verzoekschrift voor rekening van de verzoeker, waardoor hij aan zijn raadsman meer zal moeten betalen dan dat hij thans vergoed krijgt. Bovenstaande feiten en omstandigheden in aanmerking genomen, ziet de rechtbank gronden van billijkheid om aan de verzoeker ook de (forfaitaire) vergoeding toe te kennen voor de kosten voor het opstellen en indienen van het op grond van artikel 533 Sv ingediende verzoekschrift.” 4 Juridisch kader 4.1 Artikel 591 (oud) tot en met 592 (oud) Sv en artikel 89 (oud) tot en met 93 (oud) Sv zijn bij de gedeeltelijke inwerkingtreding op 1 januari 2020 van de Wet herziening tenuitvoerlegging strafrechtelijke beslissingen (Wet van 22 februari 2017, Stb. 2017, 82; ook wel Wet USB genoemd), vernummerd tot artikel 529 tot en met 536 Sv. Daarbij zijn verder artikel 14l (oud), 15k (oud), 38ij (oud) en 77dd lid 5 (oud) Sr vernummerd tot artikel 537 Sv. De huidige artikelen zijn opgenomen in Titel VIa van het Vierde Boek van het Wetboek van Strafvordering (“schadevergoeding en andere bijzondere kosten”). Uit de memorie van toelichting bij het wetsvoorstel dat heeft geleid tot de Wet USB (Kamerstukken II 2014/15, 34086, nr. 3, p. 65) blijkt dat de huidige bepalingen over schadevergoeding en andere bijzondere kosten – afgezien van enkele hier niet ter zake doende aanpassingen – inhoudelijk ongewijzigd zijn gebleven ten opzichte van de oude bepalingen. 4.2 De volgende bepalingen zijn van belang. - Artikel 529 Sv: “1. Aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen wordt uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor de kosten, welke ingevolge het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde ten laste van de gewezen verdachte zijn gekomen, voor zover de aanwending van die kosten het belang van het onderzoek heeft gediend of door de intrekking van dagvaardingen of rechtsmiddelen door het openbaar ministerie nutteloos is geworden. 2. Het bedrag van de vergoeding wordt op verzoek van de gewezen verdachte of zijn erfgenamen vastgesteld. Het verzoek moet worden ingediend binnen drie maanden na het eindigen van de zaak. De vaststelling geschiedt bij het gerecht in feitelijke aanleg waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd vervolgd of anders het laatst werd vervolgd, en wel door de rechter of raadsheer in de enkelvoudige kamer die de zaak heeft behandeld of, indien de behandeling van de zaak plaatsvond door een meervoudige kamer, door de voorzitter daarvan. De rechter of raadsheer geeft voor het bedrag van de vergoeding een bevelschrift van tenuitvoerlegging af. 3. De behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. 4. Uitbetaling geschiedt door de griffier. 5. Een en ander vindt overeenkomstige toepassing op de behandeling van vorderingen of beroep in het kader van de tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling en op de behandeling van klaagschriften als bedoeld in de artikelen 552a tot en met 552b.” - Artikel 530 Sv: “1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht wordt aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding toegekend voor zijn ten behoeve van het onderzoek en de behandeling van de zaak gemaakte reis- en verblijfkosten, berekend op de voet van het bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken bepaalde. 2. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel en zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht kan aan de gewezen verdachte of zijn erfgenamen uit ’s Rijks kas een vergoeding worden toegekend voor de schade welke hij tengevolge van tijdverzuim door de vervolging en de behandeling van de zaak ter terechtzitting werkelijk heeft geleden, alsmede, behoudens voor zover artikel 44a van de Wet op de rechtsbijstand van toepassing is, in de kosten van een raadsman. Een vergoeding voor de kosten van een raadsman gedurende de verzekering en de voorlopige hechtenis is hierin begrepen. Een vergoeding voor deze kosten kan voorts worden toegekend in het geval dat de zaak eindigt met oplegging van straf of maatregel op grond van een feit, waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten. 3. Het eerste en tweede lid zijn van overeenkomstige toepassing voor ouders van een minderjarige verdachte, die zijn opgeroepen ingevolge artikel 496, eerste lid. 4. De artikelen 529, tweede tot en met vijfde lid, 534 en 535 zijn van overeenkomstige toepassing. 5. Indien de gewezen verdachte na het indienen van zijn verzoek overleden is, geschiedt de toekenning ten behoeve van zijn erfgenamen.” - Artikel 533 lid 1, 3, 4 en 5 Sv: “1. Indien de zaak eindigt zonder oplegging van straf of maatregel of met zodanige oplegging, doch op grond van een feit waarvoor voorlopige hechtenis niet is toegelaten, kan de rechter, op verzoek van de gewezen verdachte, hem een vergoeding uit ’s Rijks kas toekennen voor de schade welke hij tengevolge van ondergane inverzekeringstelling, klinische observatie of voorlopige hechtenis heeft geleden. Onder schade is begrepen het nadeel dat niet in vermogensschade bestaat. 3. Het verzoek kan slechts worden ingediend binnen drie maanden na de beëindiging van de zaak. De behandeling van het verzoek door de raadkamer vindt plaats in het openbaar. 4. De raadkamer is zoveel mogelijk samengesteld uit de leden die op de terechtzitting over de zaak hebben gezeten. 5. Tot de toekenning is bevoegd het gerecht in feitelijke aanleg, waarvoor de zaak tijdens de beëindiging daarvan werd of zou worden vervolgd of anders het laatst werd vervolgd.” - Artikel 534 Sv: “1. De toekenning van een schadevergoeding heeft steeds plaats, indien en voor zover daartoe, naar het oordeel van de rechter, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn. 2. Bij de bepaling van het bedrag wordt ook rekening gehouden met de levensomstandigheden van de gewezen verdachte. 3. Indien de rechter beslist tot het toekennen van schadevergoeding, wordt het uit te keren bedrag verrekend met geldboeten en andere aan de staat verschuldigde geldsommen, tot betaling waarvan de verzoeker bij onherroepelijk geworden vonnis of arrest in een strafzaak is veroordeeld of tot betaling waartoe de verzoeker op grond van een jegens hem uitgevaardigde, onherroepelijk geworden strafbeschikking verplicht is, een en ander voor zover die nog niet door hem zijn voldaan. 4. In plaats van het toekennen van schadevergoeding kan de rechter beschikken dat de dagen die de gewezen verdachte op grond van een bevel tot inverzekeringstelling en voorlopige hechtenis in detentie heeft doorgebracht – geheel of gedeeltelijk – in mindering worden gebracht bij de tenuitvoerlegging van een uit anderen hoofde opgelegde onherroepelijke vrijheidsstraf. 5. De beschikking wordt onverwijld aan de gewezen verdachte of aan zijn erfgenamen betekend.” - Artikel 537 Sv: “1. In de gevallen waarin een vordering tot tenuitvoerlegging, als bedoeld in artikel 6:6:20, eerste lid, of artikel 6:6:21, eerste lid, wordt afgewezen of het openbaar ministerie in zijn vordering niet ontvankelijk wordt verklaard, kan de rechter die als laatste over de vordering heeft geoordeeld op verzoek van de veroordeelde hem een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming die voorafgaand aan de beslissing op de vordering is ondergaan. 2. Het eerste lid is van overeenkomstige toepassing in de gevallen dat het gerechtshof in beroep de beslissing tot tenuitvoerlegging van de rechter of de rechter-commissaris vernietigt, of indien de zaak eindigt zonder oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel bedoeld in artikel 38v, van het Wetboek van Strafrecht. 3. Indien de rechtbank een bezwaarschrift tegen de beslissing tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling gegrond heeft geacht of de voorwaardelijke invrijheidstelling is herroepen vanwege het niet naleven van de algemene voorwaarde, maar de zaak betreffende het nieuwe strafbare feit eindigt zonder oplegging van straf of maatregel, kan de rechtbank op verzoek van de veroordeelde een vergoeding ten laste van de staat toekennen voor de schade die hij heeft geleden ten gevolge van vrijheidsbeneming ondergaan uit hoofde van artikel 6:2:13b. 4. De artikelen 533, eerste lid, tweede volzin, tweede lid, en zesde lid, 534 en 536 zijn van overeenkomstige toepassing.” - Artikel 6:6:20 Sv: “1. De rechter-commissaris is bevoegd tot het op vordering van het openbaar ministerie nemen van spoedeisende, tijdelijke en voorlopige beslissingen in het kader van de tenuitvoerlegging van voorwaardelijke en vrijheidsbeperkende straffen en maatregelen. Dit betreft de beslissingen tot: a. de voorlopige tenuitvoerlegging van de niet ten uitvoer gelegde vrijheidsstraf of maatregel; b. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende hechtenis die ten uitvoer wordt gelegd iedere keer dat de veroordeelde zich niet houdt aan de vrijheidsbeperkende maatregel; c. de gehele of gedeeltelijke tenuitvoerlegging van de in het vonnis bepaalde vervangende jeugddetentie of hechtenis voor het geval dat de veroordeelde zich niet houdt aan de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige. 2. Een vordering als bedoeld in het eerste lid wordt onverwijld ingediend indien de veroordeelde is aangehouden op grond van artikel 6:3:15. Tegelijk met de vordering, bedoeld in het eerste lid, onder a, wordt een vordering ingediend als bedoeld in artikel 6:6:21, eerste lid. 3. De rechter-commissaris beslist binnen driemaal vierentwintig uur na de indiening van de vordering. De veroordeelde wordt zo mogelijk door de rechter-commissaris gehoord. De artikelen 39 en 191 zijn van overeenkomstige toepassing. 4. Hangende de beslissing van de rechter-commissaris wordt de veroordeelde niet in vrijheid gesteld. 5. De beslissing van de rechter-commissaris is dadelijk uitvoerbaar. 6. Indien de rechter-commissaris de vordering afwijst, beveelt hij de invrijheidstelling van de aangehouden veroordeelde. 7. Indien vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie wordt bevolen, wordt de vrijheidsbeneming hangende de beslissing van de rechter-commissaris geheel in mindering gebracht op de tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis of vervangende jeugddetentie.” 5 Beoordeling van het cassatiemiddel 5.1 Het cassatiemiddel klaagt dat de rechtbank in strijd met artikel 530 lid 2 en 537 Sv heeft geoordeeld dat de betrokkene, die op grond van artikel 537 Sv in aanmerking komt voor schadevergoeding in verband met de vrijheidsbeneming, op grond van artikel 530 lid 2 Sv ook aanspraak maakt op vergoeding van kosten voor rechtsbijstand. 5.2.1 De Hoge Raad heeft in zijn arrest van 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BX5566 geoordeeld dat en waarom een redelijke wetsuitleg meebrengt dat als (i) de zaak is geëindigd in een sepot, of als (ii) een beklag als bedoeld in artikel 12 Sv niet gegrond is verklaard of (iii) zo’n beklag wel gegrond is verklaard, maar de zaak vervolgens is geëindigd zonder oplegging van straf of maatregel of zonder dat toepassing is gegeven aan artikel 9a Sr, het toekennen van een vergoeding voor de kosten van een raadsman op grond van artikel 591a lid 2 (oud) Sv (nu artikel 530 lid 2 Sv) in geen van deze drie situaties is uitgesloten, zij het dat de rechter daartoe slechts kan besluiten als en voor zover naar zijn oordeel, alle omstandigheden in aanmerking genomen, gronden van billijkheid aanwezig zijn voor de toekenning van een vergoeding voor de kosten van een raadsman. 5.2.2 De hiervoor onder (i) tot en met (iii) bedoelde situaties kenmerken zich hierdoor dat de betreffende strafzaak niet is geëindigd met een niet-veroordelende einduitspraak in de zin van artikel 348 en 350 Sv, maar toch aannemelijk is dat geen aansprakelijkstelling door de strafrechter zal volgen. Voor die situaties achtte de Hoge Raad het redelijk de toepasselijkheid van artikel 591a lid 2 (oud) Sv (nu artikel 530 lid 2 Sv) niet uit te sluiten. 5.3 In dit geval gaat het om een verzoek tot vergoeding van kosten voor rechtsbijstand in verband met het opstellen en het indienen van het verzoekschrift in de procedure over de vordering van de officier van justitie als bedoeld in artikel 6:6:20 lid 1, onder b, in samenhang met artikel 6:6:20 lid 2 Sv, tot tenuitvoerlegging van de vervangende hechtenis op grond van verdenking van overtreding van een in de strafzaak onherroepelijk opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel. De rechter-commissaris heeft deze vordering afgewezen en de invrijheidstelling van de betrokkene bevolen, maar de betrokkene is onherroepelijk veroordeeld voor het feit waarvoor de vrijheidsbeperkende maatregel is opgelegd. Het gaat hier daarom niet om een situatie als onder 5.2.1 en 5.2.2 bedoeld. 5.4 Artikel 529 lid 5 in samenhang met artikel 530 lid 4 Sv voorziet in een specifieke regeling met het oog op enkele bijzondere procedures waarin de kosten voor rechtsbijstand wel voor vergoeding in aanmerking komen, zoals de behandeling van vorderingen in het kader van de tenuitvoerlegging van een terbeschikkingstelling. Deze bijzondere procedures zijn, net als de procedure in deze zaak en anders dan de hiervoor onder (i) tot en met (iii) bedoelde situaties, niet steeds gekoppeld aan de strafzaak tegen de betrokkene waarin zijn strafrechtelijke aansprakelijkheid is of wordt vastgesteld. De procedure in deze zaak is echter niet in die specifieke regeling opgenomen. Het gaat de rechtsvormende taak van de Hoge Raad te buiten deze regeling desondanks van overeenkomstige toepassing te achten op de procedure die in deze zaak aan de orde is. Het eventueel voorzien in de toepasselijkheid van deze regeling ligt op de weg van de wetgever. Beoordeling van de beschikking van de rechtbank 5.5 De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om aan te nemen dat de kosten voor rechtsbijstand niet op grond van artikel 530 Sv kunnen worden gecompenseerd, en dat er gronden van billijkheid zijn om aan de betrokkene ook een vergoeding toe te kennen voor de kosten voor het opstellen en indienen van het op grond van artikel 537 Sv ingediende verzoekschrift. Gelet op wat hiervoor is overwogen, is dat oordeel onjuist. 5.6 Het cassatiemiddel slaagt. 6 Beslissing De Hoge Raad vernietigt in het belang van de wet de beschikking van de rechtbank, maar uitsluitend voor zover ten aanzien van het onder RK-nummer 22/009456 ingeschreven verzoek aan de betrokkene uit ’s Rijks kas een vergoeding van € 280 is toegekend. Dit arrest is gewezen door de vice-president V. van den Brink als voorzitter, en de raadsheren A.L.J. van Strien, C. Caminada, C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier H.J.S. Kea, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 30 juni 2026 .