Rechtspraak
Hoge Raad
2026-01-23
ECLI:NL:HR:2026:100
Bestuursrecht; Belastingrecht
Artikel 81 RO-zaken
717 tokens
=== VOLLEDIG ===
ECLI:NL:HR:2026:100 text/xml public 2026-02-27T11:24:45 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl Hoge Raad 2026-01-23 24/02548 Uitspraak Artikel 81 RO-zaken Cassatie NL Bestuursrecht; Belastingrecht In cassatie op : ECLI:NL:GHAMS:2024:1370 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1117 Conclusie: ECLI:NL:PHR:2024:1116 Rechtspraak.nl Viditax (FutD) 2026012302 FutD 2026-0129 V-N Vandaag 2026/130 V-N 2026/7.24.8 Belastingblad 2026/96 NLF 2026/0172 http://deeplink.rechtspraak.nl/uitspraak?id=ECLI:NL:HR:2026:100 text/html public 2026-01-23T10:15:20 2026-01-23 Raad voor de Rechtspraak nl ECLI:NL:HR:2026:100 Hoge Raad , 23-01-2026 / 24/02548 HR: 81.1 RO. HOGE RAAD DER NEDERLANDEN BELASTINGKAMER Nummer 24/02548 Datum 23 januari 2026 ARREST in de zaak van [X] (hierna: belanghebbende) tegen het COLLEGE VAN BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DE GEMEENTE AMSTERDAM op het beroep in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof Amsterdam van 21 mei 2024, nr. 23/403 , op het hoger beroep van belanghebbende tegen een uitspraak van de Rechtbank Amsterdam (nr. AMS 22/5539) betreffende een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag in de parkeerbelasting. 1 Geding in cassatie 1.1 Belanghebbende, vertegenwoordigd door I.N.D.J. Rissema, heeft tegen de uitspraak van het Hof beroep in cassatie ingesteld. Het beroepschrift in cassatie is aan dit arrest gehecht en maakt daarvan deel uit. 1.2 Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: het College), vertegenwoordigd door [P], heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend. Het College heeft een conclusie van dupliek ingediend. 1.3 De Advocaat-Generaal M.R.T. Pauwels heeft op 25 oktober 2024 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie. Belanghebbende heeft schriftelijk op de conclusie gereageerd. 2 Beoordeling van de klachten De Hoge Raad heeft de klachten over de uitspraak van het Hof beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van die uitspraak. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81, lid 1, van de Wet op de rechterlijke organisatie). 3 Proceskosten De Hoge Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten. 4 Beslissing De Hoge Raad verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Dit arrest is gewezen door de vice-president J.A.R. van Eijsden als voorzitter, en de raadsheren M.W.C. Feteris, M.T. Boerlage, A.E.H. van der Voort Maarschalk en W.A.P. van Roij, in tegenwoordigheid van de waarnemend griffier J.P.J. van Kampen, en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2026. ECLI:NL:GHAMS:2024:1370. ECLI:NL:PHR:2024:1117. ECLI:NL:HR:2026:24.