Rechtspraak
Hoge Raad
2025-04-01
ECLI:NL:HR:2025:491
Strafrecht
Cassatie
1,622 tokens
Inleiding
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
STRAFKAMER
Nummer 23/03369
Datum 1 april 2025
ARREST
op het beroep in cassatie tegen een arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 21 augustus 2023, nummer 20-000168-23, in de strafzaak
tegen
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1992,
hierna: de verdachte.
Procesverloop
Het beroep is ingesteld door de verdachte. Namens deze hebben R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, bij schriftuur cassatiemiddelen voorgesteld.
De plaatsvervangend advocaat-generaal V.M.A. Sinnige heeft geconcludeerd tot verwerping van het beroep.
Beoordeling
2.1
Het cassatiemiddel komt met verschillende klachten op tegen de door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 38v van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr).
2.2
Het hof heeft de verdachte veroordeeld voor mishandeling van [betrokkene] . De sanctieoplegging houdt onder meer in:
“Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid, inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren op geen enkele wijze – direct of indirect – contact zal opnemen, zoeken of hebben met [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1996. Beveelt dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor het geval niet aan de maatregel wordt voldaan. De duur van deze vervangende hechtenis bedraagt 7 dagen voor iedere keer dat niet aan de maatregel wordt voldaan.
(...)
Legt op de maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid inhoudende dat de veroordeelde voor de duur van 3 jaren niet aanwezig zal zijn in de [a-straat] te [plaats] , althans waar [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1996, woonachtig is.”
2.3
Artikel 38v leden 1 en 2 Sr luidt:
“1. Ter beveiliging van de maatschappij of ter voorkoming van strafbare feiten kan een maatregel strekkende tot beperking van de vrijheid worden opgelegd bij de rechterlijke uitspraak:
1°. waarbij iemand wegens een strafbaar feit wordt veroordeeld;
2°. waarbij overeenkomstig artikel 9a wordt bepaald dat geen straf zal worden opgelegd.
2. De maatregel kan inhouden dat de verdachte wordt bevolen:
a. zich niet op te houden in een bepaald gebied,
b. zich te onthouden van contact met een bepaalde persoon of bepaalde personen,
c. op bepaalde tijdstippen of gedurende een bepaalde periode op een bepaalde locatie aanwezig te zijn,
d. zich op bepaalde tijdstippen te melden bij de daartoe aangewezen opsporingsambtenaar.”
2.4.1
Het cassatiemiddel klaagt in de eerste plaats over de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (contactverbod), voor zover deze inhoudt dat de verdachte op geen enkele wijze – direct of indirect – contact “zal hebben” met het slachtoffer. Het voert daartoe aan dat de naleving van deze verplichting niet onder alle omstandigheden afhankelijk is van het gedrag van de verdachte omdat het slachtoffer contact kan leggen met de verdachte.
2.4.2
Het hof heeft bij de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover deze inhoudt dat de veroordeelde op geen enkele wijze – direct of indirect – contact “zal opnemen, zoeken of hebben” met [betrokkene] kennelijk willen aansluiten bij de in artikel 38v lid 2, aanhef en onder b, Sr omschreven verplichting. De beslissing van het hof moet daarom zo worden verstaan dat het hof de verdachte heeft bevolen zich voor de duur van drie jaren te onthouden van contact met [betrokkene] . De verdachte heeft gelet hierop geen belang bij de klacht.
2.5.1
Het cassatiemiddel klaagt verder over de oplegging van de vrijheidsbeperkende maatregel (gebiedsverbod), voor zover deze inhoudt dat de verdachte niet aanwezig zal zijn daar “waar [betrokkene] (...) woonachtig is”.
2.5.2
De door het hof opgelegde vrijheidsbeperkende maatregel is in strijd met artikel 38v lid 2, aanhef en onder a, Sr voor zover deze inhoudt dat de verdachte niet aanwezig zal zijn daar “waar [betrokkene] (...) woonachtig is”, omdat in zoverre niet een voldoende precieze omschrijving van het gebied waarbinnen de verdachte zich niet mag bevinden is geformuleerd (vgl. HR 12 maart 2019, ECLI:NL:HR:2019:338, rechtsoverweging 2.6.2).
2.5.3
Het cassatiemiddel is in zoverre terecht voorgesteld. De Hoge Raad zal de zaak zelf afdoen en de vrijheidsbeperkende maatregel vernietigen voor zover deze inhoudt dat de verdachte zich niet zal ophouden daar “waar [betrokkene] (...) woonachtig is”, zodat resteert het bevel dat de verdachte zich niet zal ophouden in de [a-straat] te [plaats] .
2.6
Opmerking verdient dat sinds 1 januari 2023 artikel 6:6:23a1 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv) de mogelijkheid biedt om de inhoud van de vrijheidsbeperkende maatregel te wijzigen. Op grond van artikel 6:6:1 lid 1 Sv kan de rechter hiertoe overgaan op vordering van de officier van justitie, op verzoek van de veroordeelde, of ambtshalve.
Beoordeling
De Hoge Raad heeft ook de overige klachten beoordeeld. De uitkomst hiervan is dat deze klachten niet kunnen leiden tot vernietiging van de uitspraak van het hof. De Hoge Raad hoeft niet te motiveren waarom hij tot dit oordeel is gekomen. Bij de beoordeling van deze klachten is het namelijk niet nodig om antwoord te geven op vragen die van belang zijn voor de eenheid of de ontwikkeling van het recht (zie artikel 81 lid 1 van de Wet op de rechterlijke organisatie).
Dictum
De Hoge Raad:
- vernietigt de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de vrijheidsbeperkende maatregel voor zover deze inhoudt dat de verdachte zich niet zal ophouden “althans waar [betrokkene] , geboren op [geboortedatum] 1996, woonachtig is”, zodat deze maatregel in zoverre komt te luiden: dat de verdachte zich voor de duur van 3 (drie) jaren niet zal ophouden in de [a-straat] te [plaats] ;
- verwerpt het beroep voor het overige.
Dit arrest is gewezen door de vice-president M.J. Borgers als voorzitter, en de raadsheren C.N. Dalebout en F. Posthumus, in bijzijn van de waarnemend griffier E. Schnetz, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 1 april 2025.